In de prullenbak ermee

Wetenschappers doen onderzoek naar wat we nog niet weten. De basis voor onderzoek wordt gevormd door bestaande theorieën en meestal past een nieuwe vondst bij wat we al wel weten. Maar wat nu, als de bestaande theorieën in hun fundament niet deugen? Als àlles in de prullenbak moet?

tekst: René Rector, Sciencestories.nl

Laten we eens aannemen dat de continenten bewegen. Neem nu Zuid-Amerika. Schuif je dat naar Afrika, dan past Brazilië netjes in de Golf van Guinea. Vuurland krult mooi om Kaap de Goede Hoop. En als je nog wat puzzelt, dan lijkt het wel of alle continenten in elkaar te passen zijn. Ruim honderd jaar geleden opperde Alfred Wegener dat de continenten op drift waren.

Wegener was niet de eerste die op dat idee kwam. Al in de zestiende eeuw werd er gepuzzeld en gewezen op de opvallende passing, maar anders dan zijn voorgangers zei Wegener: ik zie zoveel dingen die ik ermee kan verklaren… het moet wel zo zijn, ook al weet ik niet hoe het komt. Hij had nog een probleem: hij had geen bewijzen. Vooraanstaande wetenschappers als Harold Jeffreys en Charles Schuchert verklaarden hem voor gek.

Paradigmaverschuiving

Het debat dat volgde, duurde vijftig jaar. Aanvankelijk waren de ‘gefixeerden’ nog in de meerderheid, maar steeds meer bevindingen wezen richting het gelijk van de ‘mobielen’ en toen na de Tweede Wereldoorlog de oceaanbodem werd onderzocht, ging het snel: de onderzeese bergruggen en troggen braken de lans definitief voor de case van plaattektoniek.

Als je de wereld en de wereldkaart eenmaal hebt gezien met kennis van plaattektoniek, dan kun je je moeilijk voorstellen dat de gefixeerden er ooit anders over dachten. Het ene stelsel van ideeën gaat niet samen met het andere stelsel van ideeën. Wetenschapsfilosoof Thomas Kuhn noemde dat een paradigmaverschuiving: meestal voegt nieuw onderzoek kennis toe aan wat we al weten, maar soms ondergraven nieuwe inzichten de oude juist. Als dat te vaak, te lang en te goed gebeurt, gaat de bestaande theorie onderuit en ziet het vakgebied er definitief anders uit.

Einstein en Galileï

Paradigmaverschuivingen duren vaak lang. Zo opperde Copernicus in 1543 dat het handiger was om te rekenen met een model waarin de aarde om de zon draaide en niet andersom. Vijftig jaar later schrapte Galileï het woordje ‘rekenmodel’: de aarde draaide om de zon en daarmee uit. Het definitieve bewijs daarvoor kwam pas in 1838. Ook Einstein werd beroemd met zijn beroemde formule E=mc2 uit 1905, al had Henri de Poincaré vijf jaar eerder al een ruime opmaat geschreven en duurde het nog vijf jaar voor hij erkenning kreeg. En Wegener zei eigenlijk vooral wat veel tijdgenoten in de onderbuik aanvoelden: we zien te veel gekke dingen die niet passen in de standaardtheorie.

Je moet er maar zin in hebben: een wetenschappelijke revolutie starten. Ze duren lang omdat wetenschappers nu eenmaal niet bij de eerste de beste kritiek hun theorie in de wilgen hangen, ook al was dat min of meer wat wetenschapsfilosoof Karl Popper toejuichte. Hoe eerder aangetoond was dat een theorie niet deugde hoe beter, vond Popper. Op die manier kwam de wetenschap het snelst vooruit. Dus als je tegen de stroom in zwemt, bereid je dan voor op flink wat strijd. Einstein en Maxwell stonden jaren tegenover elkaar in de wetenschappelijke boksring. Wegener raakte verwikkeld in een eindeloos debat. Galileï kreeg levenslang huisarrest.

Hakken in het zand

In de praktijk gaat dat omarmen dus nog niet zo eenvoudig. Hoe het wel gaat? Drie wetenschappers vertellen in EOS over de wetenschappelijke hakken in het zand. Pepijn Kamminga bemerkt de eerste reacties van ongeloof en kritiek, nog voor hij zijn in zijn vakgebied een verschuiving teweeg kan brengen. Prof. Wim van Westrenen zag een heel onderzoeksveld de luiken dichtdoen, nadat hij een onwelkome boodschap verkondigde. En om precies dat te voorkomen, trok Wim Ubachs fluwelen handschoentjes aan toen hij de fundamenten onder de natuurkunde beroerde.

Lees het volledige verhaal in:

juli/augustus 2015