Waarom onderzoek onvermijdelijk is

Vraag een gemiddelde hbo-student wat hij weet van onderzoek en er volgt een pijnlijke stilte. Ook bij medewerkers is onderzoek niet erg in trek. ‘Daar zijn we niet van,’ hoor je dan. ‘Hbo is van onderwijs.’ Toch staat onderzoek wel met stip op één in de beleidsplannen van de hogeschool. Sherlock Holmes als rolmodel voor het hbo is onvermijdelijk. Ga maar na.

tekst: René Rector

Zuid-Korea heeft sinds de eeuwwisseling een duidelijke politieke lijn als het gaat om investeren in technologie: het land draait de geldkraan dicht in alle sectoren waar het land niet minstens vijf jaar voorloopt op China. De reden is eenvoudig: China ontwikkelt zo snel, dat technologieën waar Korea geen voorsprong op heeft al snel door de rode reus worden opgegeten. Het heeft voor Korea geen zin te investeren in iets, waarvan China over een paar jaar de winst gaat opstrijken.

Nederland is minder rigoureus, maar ambieert volgens de regeringsplannen om bij de top-vijf van kenniseconomieën te horen. De Tweede Kamer was het in 2009 unaniem eens met die ambitie, zo bleek uit een motie. Alleen… die toppositie heeft Nederland nu niet. Nederland moet de felbegeerde toppositie stee- vast laten gaan naar landen als de Verenigde Staten, Zwitserland en Zweden.

Commissie Veerman

Toch heeft Nederland niet veel keus, kun je lezen in bijvoorbeeld de Kennis en Innovatie Agenda (KIA) en in de adviezen van het Adviesraad voor Wetenschaps- en Technologiebeleid. Met ‘we raken onze welvaart kwijt’ schetste Alexander Rinnooij Kan als voorzitter van de KIA-club eerder dit jaar een doem- scenario. De onderliggende redenering is ongeveer dat Nederland als productieland al lang niet meer is wat het vroeger was.

Produceren doen bedrijven in landen waar de lonen laag zijn: China, Brazilië of India. De dienstensector draait prima, maar uiteindelijk is die niet self supporting. Waar geïmporteerd wordt, moet ook geëxporteerd worden. En waar kun je nou beter goed in zijn dan in innovatie en technologie?

In principe zou Nederland een prima concurrentiepositie kunnen hebben op dat gebied, want het hoger onderwijs is hier op een niveau waar menig land nog een puntje aan kan zuigen. Maar de praktijk is anders. Er gaat verhoudingsgewijs steeds minder geld naar onderwijs en onderzoek, het niveau van het onder- wijs gaat omlaag en Nederland zakt eerder weg op de kennisranglijst dan dat ze stijgt.

Een commissie onder leiding van oud-minister Cees Veerman onderzocht vorig jaar of het hoger onderwijs wel in staat is om de mensen af te leveren die die kenniseconomie kunnen vormen. Het oordeel: ‘Zoals het nu gaat… nee.’ Veerman kwam met een paar opmerkelijke aanbevelingen: selecteer de goede studenten, zo nodig aan de poort. Specialiseer, omdat je anders alles maar middelmatig blijft doen. En: doe onderzoek, en dan met name op het hbo. Veerman signaleert dat de groei van het aantal studenten van de laatste tien jaar niet op universiteiten heeft plaatsgevonden, maar vooral op het hbo. Tegelijkertijd is het hbo vooral een doorstroomfabriek geworden voor havo en mbo. Het hbo is ‘uit’ bij vwo’ers en het onderwijs op het hbo is vervlakt, terwijl de veranderingen in het werkveld juist een meer kritische blik op de aangeleerde kennis vereisen.

Toegepast onderzoek

Staatssecretaris Halbe Zijlstra heeft in een schriftelijke reactie laten weten het rapport ‘te omarmen’. Veerman (en Zijlstra) zien een soort tweedeling voor zich, waarbij wetenschappelijk onderzoek vooral is gericht op fundamentele theoretische vernieuwing, en onderzoek op het hbo vooral moet leiden tot toepassing van wetenschappelijke theorie. Wetenschappers komen meestal niet toe aan toepassingen (zie kader), ook al zijn er talloze pogingen ondernomen om de waarde van maatschappelijk nut bij wetenschappers tussen de oren te krijgen. Het gevolg is dat veel kennis veel minder nuttig is voor de samenleving dan zou kunnen.

Het gat tussen wetenschappelijk onderzoek en maatschappelijke toepassing van kennis moet volgens Veerman en Zijlstra gedicht worden door het hbo. Omdat de voetangel niet zit in de kwaliteit van het Nederlandse onderzoek, maar in de toepassing van kennis in de maatschappij, ligt de grootste uitdaging meteen ook bij het hbo. Dat komt volgens Veerman omdat ‘hogescholen niet kunnen bogen op een lange onderzoekstraditie.’ Dat die rol niet bij universiteiten ligt, komt omdat het probleem een typisch beroeps- praktijkprobleem is. Een aardig voorbeeld is het onderzoek naar de Wii-games, door het Lectoraat Revalidatie deels uitbesteed aan studenten. Dat je door hersenbeschadiging functies kunt kwijtraken, weten we al honderd jaar. Dat je die functies door bewegingsherhaling voor een deel kunt terugkrijgen, is ook al een poosje geleden wetenschappelijk aangetoond. Maar hoe je de therapie daarvoor op een leuke en uitdagende manier vormgeeft, is zo’n vertaalslag naar de praktijk die wetenschappers niet maakten. Toepasbare kennis dus, maar tot voor kort vergeten toe te passen.

Competenties

Het mes snijdt aan twee kanten. De meerwaarde van onderzoek zit ’m er op deze manier namelijk ook in, dat studenten de vakkennis niet klakkeloos naar binnen laten glijden, maar deze kritisch consumeren: the proof of the pudding is in the eating, waarbij de pudding uit kennis bestaat en het eten toegepast onderzoek is. De gemiddelde hbo’er komt straks immers terecht in een beroepspraktijk waar hij/zij moet omgaan met kennis en innovatie die nog niet compleet is uitontwikkeld. Dat maakt dat behalve genoeg vakkennis de student anno 2011 ook de competenties moet hebben die kennis van alle kanten te toetsen op bruikbaarheid en validiteit. Niks geen smakelijk eten: ga eerst maar eens kijken welk stukje van de pudding het best is.

Nu de politieke wind duidelijk uit de onderzoekshoek waait en de ogen hoopvol op het hbo zijn gericht als life line van de kenniseconomie, is het begrijpelijk dat de beleidsplannen niet langer focussen op diversiteit en ‘elk talent telt’. Straks gaat de subsidiekraan naar verwachting juist open op initiatieven die de missing link tussen wetenschappelijke theorie en beroepspraktijk proberen op te vullen.

Waarom wetenschappers niet van toepassingen houden

Wetenschappers zijn niet of nauwelijks geïnteresseerd in toepassing van hun theorieën. De reden daarvoor is eenvoudig: daarop wordt de kwaliteit van hun onderzoek niet gemeten. Onderzoek moet nieuw en origineel zijn – dat is de maatstaf. Hoe goed een wetenschapper is, kun je opzoeken in de Science Citation Index – een ranglijst die telt hoe vaak een wetenschapper wordt aangehaald in onderzoek van anderen. Als op een universiteit een nieuwe hoogleraar wordt benoemd, kijkt de sollicitatiecommissie nog altijd vooral naar zijn wetenschappelijke prestaties en die wordt in toenemende mate afgelezen uit de SCI.

Dit verhaal verscheen eerder in:

Link magazine van de Haagse Hogeschool

Magazine van De Haagse Hogeschool.