Tagarchief: New Scientist

Jan Buisman: ‘Ik vind het weer interessant, maar de gevolgen nog veel meer’

Zijn vroegste jeugdherinnering dateert van de strenge winter van 1929. Als vierjarige kon hij op de Lek lopen, waar normaal de gierpont heen en weer voer. Jarenlang mat Jan Buisman driemaal daags temperatuur, luchtdruk, windrichting en hoeveelheid neerslag. Na meer dan tien* jaar spitten in archieven verschijnt nu zijn boekenreeks Duizend jaar weer, wind en water in de Lage Landen. Meteorologen, geschiedkundigen en zelfs cultuurhistorici kunnen profiteren van zijn minutieuze archiefarbeid.

tekst René Rector, Sciencestories.nl

De woning van Jan Buisman is, in zijn eigen woorden, ‘een chaos’. Zijn werkkamer is een verzameling van stapels papier en boekenkasten, waaruit tijdens het interview het ene na het andere boek tevoorschijn komt. Oorzaak van de chaos is een recente verhuizing. Buisman (77) woonde precies twee deuren verder, op de elfde verdieping van een torenflat in ’s-Gravenhage. “Maar die keek uit op het noorden. Dan zie je niks. Bij iedere depressie moest ik vanaf het balkon om een hoekje gluren. Hier zie ik Den Haag, in de verte Rotterdam. Het spoor, de A12. En je kunt hier ook prachtig het weer bestuderen. Alle fronten uit het zuidwesten kan ik zien. Het is net theater.”

Actieve zee

Buisman werkt al tien jaar aan wat uiteindelijk de zevendelige reeks ‘Duizend jaar weer, wind en water in de Lage Landen’ moet worden; een kroniek waarvan nu de eerste vier delen af zijn. Een historisch overzicht van het weer is geen novum. Cruquius begon in 1706 met instrumentele waarnemingen. Zijn reeks werd later voortgezet in Zwanenburg en nog later door het KNMI. Vóór deze datum is het lastig kwantitatieve gegevens over het weer te vergaren. “Meteorologen zijn in het verleden ook wel in de historie gedoken, maar zij vergaten bronnenkritiek toe te passen. Zo wordt de negende eeuw nogal eens afgeschilderd als een tijd met een zeer actieve zee. Zeker tien stormvloeden zouden er hebben plaatsgevonden. Als je in literatuur uit de negentiende eeuw gaat zoeken, vind je nog maar acht van die stormvloeden terug, en in geschriften uit de vijftiende eeuw nog maar vijf. Hoe verder je teruggaat, hoe minder stormvloeden er overblijven, tot ze alle terug te voeren blijken op slechts één: 838. Wèg is je ‘actieve zee’, hoewel daar in het verleden de inmiddels achterhaalde theorie over transgressiefasen op gebaseerd was. Gewoon: een stormvloed.” Vaak blijkt een foutieve overname de oorzaak van de vermenigvuldiging van gegevens. Het cijfer 8 wordt in het Romeinse getallenstelsel aangegeven met VIII. Valt de V onduidelijk uit, dan krijg je een X, zodat van 8 13 wordt gemaakt.

Jan Buisman…

… is geïntrigeerd door het ‘stormglas’, een gesloten reageerbuis met een mengsel van alcohol, aquadest, kaliumnitraat, ammoniumchloride en kamfer. De kristallen die het vormt zouden een kundig lezer iets zeggen over het weer. “Niemand weet hoe het werkt. Temperatuur is niet de oorzakelijke factor. Misschien luchtdruk, waarschijnlijk straling. Het zou een aardig onderwerp zijn voor een chemicus om dat eens uit te zoeken.”

Voeg daarbij dat het een tijd gebruikelijk is geweest dat het jaartal versprong met Kerstmis, of met Pasen en dat niet alle delen van de Lage Landen op hetzelfde moment van de Juliaanse op de Gregoriaanse stijl overstapten. De kans op onjuiste berichtgeving wordt dan levensgroot. Met name de bronnen uit Groot Brittannië scheppen veel verwarring omdat dit land qua telling pas in de achttiende eeuw in de pas ging lopen met het continent. De strenge Britse winter van 1683 is precies dezelfde als die van 1684 in Nederland. Hierdoor lijkt het vaak of koude of zachte winters altijd in paren voorkwamen. “Onzin”, stelt Buisman resoluut. “Weer heeft geen geheugen!”

Stormvloeden

Historische overzichten daarentegen ontbreken het vaak aan weerkundig inzicht, vindt Buisman. “Een ‘strenge winter’ is gedefinieerd, net als een ‘stormvloed’. Maar een ‘strenge winter’ in de veertiende eeuw, werd daar toen hetzelfde mee bedoeld als het KNMI het nu definieert?” Stormvloeden, als indicator voor klimaatverandering, zijn al helemaal twijfelachtig. Op zich is het zo dat, als het wereldwijd warmer wordt, de poolkappen afsmelten waardoor de zeespiegel stijgt. Daar zijn in het verleden niet veel metingen naar verricht, maar uitgaande van die theorie mag je verwachten dat het aantal stormvloeden zal toenemen als het warmer wordt. Van de stormvloeden vóór 1700 is meestal slechts bekend dat land overspoeld wordt door water. Het oorzakelijk verband tussen overstroomd land en zeeniveau gaat mank, vindt Buisman, die zich erover verheugt zulke misverstanden te kunnen ophelderen: “Als je conclusies wilt trekken uit het aantal stormvloeden over bijvoorbeeld de stijging van de zeespiegel, dan ontstaan er twee problemen. Allereerst werden dijken en waterkeringen niet altijd even goed onderhouden. In tijden van oorlog werden veel staatsuitgaven aan de strijd besteed en verwaarloosde men de dijken. Je bent dus niet het zeeniveau aan het meten, maar het welvaartsniveau. Vervolgens is een stormvloed nu omschreven als een overschrijding van het grenspeil, dat weer gedefinieerd is als het niveau, dat gemiddeld eens in de twee jaar wordt bereikt. Zo heb je dus gemiddeld elke twee jaar een stormvloed. Neemt de frequentie toe, dan wordt het baken verzet. Het grenspeil wordt met het zeeniveau mee verhoogd. Dus wat meet je dàn?”

Jan Buisman…

… zou ‘doodgaan’ als hij moest ruilen met zijn onderburen op de begane grond. “Die kijken uit op de blinde muur van een Chinees restaurant. Geef mij maar overzicht. Hoog wonen is prachtig; je kunt alle weer zien aankomen.”

Toen in de jaren tachtig de vraag belangrijk werd of het klimaat aan het veranderen was, bestond in De Bilt behoefte aan kwantitatieve data omtrent het weer, ook van voor 1706. Buisman had begin jaren tachtig een boek geschreven met als titel: ‘Bar en boos – zeven eeuwen winterweer in de Lage Landen’. Als weeramateur en historicus werd hij naar aanleiding van dit boek door het KNMI gevraagd om de kroniek te schrijven: een boek dat een overzicht zou geven over àlle weersomstandigheden. “Ik ging toen net met pensioen. Ik was geïnteresseerd; ik was van de straat. Wel vond ik, dat het meer moest zijn dan een dorre wetenschappelijke rapportage. Het moest leesbaar worden. Zo ijdel ben ik wel: ik wil gelezen worden.”

Strenge winter

Het weer heeft iets speciaals voor Buisman. Een van zijn vroegste jeugdherinneringen is die aan de dichtgevroren Lek. Het was een strenge winter, in 1929. De pontwachter had met zand een pad over het ijs aangelegd. Kleine Jantje Buisman keek er, staande op de dijk in Culemborg, vlak bij zijn ouderlijk huis, met grote ogen van verbazing naar… dat je kon lopen waar normaal de gierpont heen en weer ging. Het weer liet Buisman niet meer los, zeker niet toen zijn ouders een jaar later naar Borculo verhuisden. Borculo, dat was het ‘wereldberoemde’ stadje met de nieuwe daken, sinds de oude in 1925 door een windhoos waren vernield.

Jan Buisman…

… hoopt nog altijd op eerherstel voor de Twaalfstedentocht. Deze Noord-Hollandse schaatstoer werd in 1676 verreden via de route Haarlem, Amsterdam, Weesp, Naarden, Muiden, Monnickendam, Edam, Purmerend, Hoorn, Enkhuizen, Medemblik, Alkmaar, Haarlem. “Het zou een geweldig evenement kunnen zijn, ouder dan de Elfstedentocht. Ja, het is wel een gedoe natuurlijk, om het te organiseren. Maar het zou ook een geweldige trekker zijn voor Noord-Holland. Het MKB zou het moeten oppakken, zeker met de ledenstop in Friesland.”

De belangstelling voor het weer nam in 1938 grote vormen aan. Een dik pak sneeuw veroorzaakte een “prachtige witte kerst, zoals het gedefinieerd is: ‘Een sneeuwdek in De Bilt op beide dagen’.” Buisman nam zich, dertien jaar oud, voor om driemaal daags temperatuur, luchtdruk, windrichting en aard en hoeveelheid van neerslag te meten. De witte kerst, en de lage frequentie waarmee die zich voordeed, inspireerde hem tot een meetreeks, die hij tot in 1952 volhield. “In de oorlog was dat wel lastig. Ik zwierf door Nederland en Duitsland, nadat ik tweemaal aan een razzia was ontsnapt.”

Observator

De oorlogsjaren maakten van Buisman een kundig weeramateur. Weerberichten waren toentertijd verboden, want die waren militaire informatie, dus stelde Buisman voor de mensen in zijn omgeving zelf een weerbericht op. Aan de aard, richting, vorm en omvang van wolken kun je veel aflezen over het weer voor de komende dagen. “Ik ben een observator. Ik wilde graag door middel van observeren begrijpen hoe ik bepaalde signalen moest interpreteren. Dat is weersverwachting.” In 1961 schreef hij ‘Weer of geen weer’, een boek met ongeveer duizend regels om zelf een verwachting op te stellen.

Een studie meteorologie zou voor de hand liggen, voor iemand die zo in het weer geïnteresseerd is. “Dat ging niet. Mijn bètavakken waren te zwak. Al die natuurkunde… Ik vind het ook niet leuk. Ik vind stormweer prachtig, maar het interesseert me niet erg hoe het ontstaat. Mijn aandacht gaat meer uit naar de gevolgen, zoals stormvloeden.” Vanuit die insteek begon hij in 1980, na enkele koude winters, aan zijn verzameling over winterweer, waardoor hij later aan ‘Duizend jaar weer, wind en water…’ zou werken. De voorliefde voor de gevolgen doet zijn weerchronologie ook veel meer tijd in beslag nemen dan aanvankelijk gedacht. “Er gaat heel veel tijd zitten in het uitzoeken van historische gegevens. Wind is essentieel bij zeeslagen, bijvoorbeeld omdat je aan de bovenwindse –loef– kant het minst kwetsbaar bent. De slag bij Solebay in juni 1672, waarbij De Ruyter won, of de Tweedaagse Zeeslag in augustus 1666 bij Duinkerken, waarbij hij verloor, zijn niet te begrijpen zonder te weten dat hij in Solebay gunstig voor de wind lag, en collega Tromp bij Duinkerken niet bij het slagveld kon komen door gebrek aan wind. Deze zeeslagen zijn van groot belang geweest voor onze geschiedenis.”

Jan Buisman…

… mag graag luisteren naar klassieke muziek; Mozart, Verdi, Händel. Ook volksmuziek uit Griekenland en de Balkan streelt zijn oor. De hele dag muziek op is echter een gruwel: “Stilte is ook mooi.”

Voor de meteorologie is het werk van Buisman van grote waarde. Elke winter kwantificeert hij naar huidige maatstaven, daarbij zoveel mogelijk bronnen raadplegend. Kwantificering is onvermijdelijk een interpretatie, maar Buisman probeert zich niet voor een gat te laten vangen. Een week vorst in november kan de graanoogst van het erop volgende jaar doen mislukken, en is in de beleving van wie erbij was ‘een zeer strenge winter,’ terwijl de rest van de winter misschien kwakkelde. Om die reden kijkt Buisman ook naar bijvoorbeeld rekeningen van de trekvaart. Het maakt verschil als die wegens ‘besloten water’ een week buiten dienst was of twee maanden. “Het mooiste vind ik als twee bronnen elkaar tegenspreken. Zo staat er in het vierde deel van de reeks een fout: op 5 september 1665 zou de kerktoren van Valkenburg (bij Leiden) zijn afgebrand na een blikseminslag. Nu stuitte ik onlangs op een brief van een tijdgenoot, een advocaat, die beschreef hoe zich ten tijde van Sint Nicolaas een zware storm had gewoed. En passant merkte hij op dat in Valkenburg op 5 december de bliksem in de kerktoren was ingeslagen. Eén van die bronnen moet zich vergissen. Toen ik het nakeek, bleek mijn eerdere bron onbetrouwbaar.”

ºFlor

De komende delen gaan over de achttiende, negentiende en twintigste eeuw. Voor deel 5 blijft het oppassen. Er is toen een begin gemaakt met het meten van temperatuur, maar aanvankelijk zijn er tientallen schaalverdelingen gebruikt. Uit gegevens is niet altijd duidelijk of in Celsius, Fahrenheit of Réaumur is gemeten. De eer voor de oudst bekende temperatuurmetingen valt overigens geen van deze schalen te beurt. “In 1667 reisde Cosimo de Medici, prins van Toscane, door de Lage Landen. In zijn dagboek staan verschillende waarden genoteerd: 13 °Flor op 21 december bijvoorbeeld, 12 °Flor op de drieëntwintigste. In de negentiende eeuw heeft men bij het opruimen van een kelder in Florence een kist gevonden, die vol oude thermometers van Cosimo bleek te zitten. Ze waren geijkt en verrassend goed bewaard. Daardoor weten we nu dat het op 21 december -0,8 °C was, en twee dagen later -2,1 °C. Het is de oudst bekende meetreeks. Dat soort vondsten vind ik spannend.”

CV

Drs. J. Buisman (1925), geboren in Culemborg en getogen in Borculo, was na zijn opleiding aan de Christelijke Kweekschool in Den Haag verscheidene jaren onderwijzer. Hij studeerde op latere leeftijd in Amsterdam aanvankelijk sociale geografie (“Maar dat was veel te vaag”) en daarna historische geografie (doctoraal 1968) en werkte 28 jaar als leraar aan het St.-Janscollege (thans Hofstadcollege) in Den Haag. Hij schreef twintig boeken, waaronder ‘Weer of geen weer?’, ‘Nederland zoals het was, zoals het is’ en ‘Bar en boos, zeven eeuwen winterweer in de Lage Landen.’

* Dit verhaal verscheen in 2002 in N&T wetenschapsmagazine, een voorloper van de Nederlandse

NewScientist

Buisman schrijft nog steeds aan zijn encyclopedie van het Nederlandse weer. In 2015 verscheen het zesde deel.

Geoloog Jan Smit: “Waarom moet alles zo nodig maatschappelijk relevant zijn?”

De meteorietinslag die een eind maakte aan het dinosaurustijdperk loopt als een rode draad door zijn wetenschappelijke loopbaan. Paleontoloog en geoloog Jan Smit was op een haar na de geestelijk vader van de inslagtheorie, maar vakgenoot Walter Alvarez was hem net voor. Zijn commentaar: “Iemand moet de eerste zijn.”

Tekst: René Rector, Sciencestories.nl

Smit kwam de eigenaardigheid op het spoor in 1974: afzettingslagen die tot vlak voor de inslag nog vol fossielen zaten, waren op 65 miljoen jaar oud ineens leeg. En daarna waren er heel andere fossielen. In het overgangslaagje bevatte nikkel en chroom, maar Smit kreeg de eindjes niet aan elkaar.

Dat lukte Alvarez in 1980 wel: hij vond iridium in de overgangslaag – een mooie tracer voor meteorieten. “Op zich jammer om tweede te zijn en niet eerste”, stelt Smit nuchter. “Het zou sneuer zijn als ik al een artikel op de planken had liggen, maar ik kreeg het verhaal niet rond.”

Inslagkrater

Na 1980 ging Smit op zoek naar de inslagkrater, een speurtocht die lang geplaagd werd door gebrek aan financiën. Zijn relaas biedt een mooi inkijkje in de financiering van wetenschap, en zijn alom aanwezige drive om te willen weten om het weten, niet omdat het nuttig is.

Dit verhaal verscheen in Natuur en Techniek, een voorloper van:

NewScientist

Sarka Jiraskova: ‘Uiteindelijk is eenzaamheid daar je grootste vijand’

Sarka Jiraskova wilde graag een korte buitenlandstage: twee maanden onderzoek naar biologische brestrijding van een woekerende watervaren in een Senegalese rivier. Ze bleef echter meer dan een jaar weg, om pelikanen te leren achter een microlight (een deltavlieger met een motortje). Die training, van pelikanen Simpson en Karcher, leidde tot een publicatie in Nature over de energie-efficiëntie van het vliegen in formatie – een knappe prestatie voor de masterstudente.

tekst: René Rector, Sciencestories.nl

Het vliegen achter een microlight was nodig om goede filmompnamen te kunnen maken voor de film Winged Migration (of: Travelling Birds). Tegelijkertijd onderzocht het team hoe pelikanen eigenlijk vliegen. In een openhartig interview vertelde Jiraskova hoe onderzoek in een multinationaal onderzoeksteam in de tropen te werk gaat, hoe het lukte om de pelikanen te filmen en hoe de bestrijding van de watervaren volledig mislukte omdat de Senegalese regeringsvertegenwoordigers een mooie foto in de krant belangrijker vonden dan het gecontroleerd uitzetten van de snuitkevers die de waterplant moesten gaan opeten.

Dit verhaal verscheen in Natuur en Techniek, een voorloper van:

NewScientist