Tagarchief: Link

Link was het magazine van De Haagse Hogeschool

Scriptie schrijven zonder te verzuipen

De laatste stap in je studieloopbaan is het schrijven van een scriptie. Nachtenlang doorhalen, er huizenhoog tegenop zien, scheel zien van de stress… Dat is nu verleden tijd. Na het lezen van deze tips en met behulp van de infographic op de volgende twee pagina’s houd jij je hoofd moeiteloos boven water.

tekst René Rector / Martine Seijffert

Oud-student Bedrijfswiskunde Mark de Ree hoeft niet lang na te denken over de vraag wat er bij zijn scriptie moeizaam ging. Hij studeerde af op een wiskundig onderzoek naar emailverkeer en vertelt: ‘De resultaten van mijn emailcontentanalyse waren raar en ik besloot alles van begin tot eind nog eens te controleren, zodat ik zeker wist dat alles klopte. Toen kwam ik achter één klein foutje in één van de vele formules. Dit foutje zorgde ervoor dat mijn resultaten compleet afweken van wat het had moeten zijn. Een dag later moest ik mijn scriptie inleveren en mijn hoofdstukken ‘Resultaten’ en ‘Conclusie’ kon ik in de prullenbak gooien!’

Tijdig beginnen met je scriptie

Mark is niet de eerste student die op problemen stuit tijdens het schrijven van zijn scriptie. Sterker nog: de weg naar het eind van je scriptie – van het verzinnen van een onderwerp tot de verdediging – zit vol valkuilen. We vroegen oud-studenten die genomineerd werden voor de Link Scriptieprijs, en twintig scriptiebegeleiders: wat zijn dan die valkuilen en hoe omzeil je die? Of hoe klim je er elegant weer uit? Het belangrijkste advies daarbij van de (ervarings) deskundigen: begin op tijd. Bij veel opleidingen kan je een half jaar voor je scriptie uittrekken, maar Maikel Maloncy, afstudeercoördinator bij de opleiding Process & Food Technology (PFT), adviseert eerder te beginnen met het zoeken naar een onderwerp en/of opdrachtgever. Het liefst een half jaar tot een jaar ervoor. Maloncy: ‘Verlies daarbij niet uit het oog dat het allerbelangrijkst is dat je de opdracht leuk vindt. Bij onze opleiding gebeurt het regelmatig dat studenten zo enthousiast zijn dat ze bij Shell of Unilever terecht kunnen dat ze er te laat achter komen dat de opdracht ze eigenlijk helemaal niet ligt.’

Het hebben van een opdrachtgever kan een heel positieve rol spelen (je bevindt je in het werkveld, je krijgt het gevoel dat je onderzoek er echt toe doet), maar kan het ook zorgen voor de nodige problemen. ‘Ik ben bij mijn opdrachtgever op kantoor gaan zitten en dat was heel stimulerend. Je kunt focussen,’ vindt Desiré de Jonge, oud-studente Communicatie. Maar het gevaar ligt op de loer dat je voortdurend klusjes toegeschoven krijgt die niets met je onderzoek van doen hebben. En wat te denken van opdrachtgevers die alles prima vinden, zolang jouw onderzoek hun eigen conclusie maar onderschrijft?

Probleemstelling

Na het vinden van een onderwerp, begeleider en eventueel een opdrachtgever, is het zaak je probleemstelling zo concreet mogelijk te formuleren. Bij afstudeercoördinator Wil van Leeuwen van de opleiding European Studies liep onlangs een student binnen met de mededeling dat hij ‘de handel tussen Brazilië en Nederland wilde onderzoeken’. ‘Zo’n onderwerp moet je inperken,’ weet Van Leeuwen.

‘Daarbij moet je erop letten dat je probleemstelling uitvoerbaar is in de tijd die ervoor staat.’ Herkenbaar, vindt oud-studente European Studies Aranya Naerbout: ‘Wat ik toen ontzettend moeilijk vond, was om een concrete hoofdvraag en structuur voor de scriptie te bedenken. Dat wil je in het begin af hebben, want je denkt dat je dan alleen nog hoeft af te werken. Mooi niet!’

Tips

Zoals gezegd, planning is cruciaal. ‘Houd je hieraan en maak in de eerste week al een inhoudsopgave,’ adviseert Maloncy. Om zijn studenten goed te begeleiden nodigt Van Leeuwen zijn studenten elke twee weken uit om te laten zien wat er gedaan is. En wat nu als je scriptiebegeleider niet zo goed bereikbaar is? ‘Neem zelf initiatief naar je begeleider toe,’ adviseert Van Leeuwen. ‘En vraag ook andere docenten om hulp of overleg als je dat nodig hebt.’

De volgende tijdrovende klus is het verzamelen van data. Het verschilt per opleiding en onderwerp hoe dit wordt gedaan. Zo kan het goed zijn dat je als student bij PFT in een laboratorium onderzoek doet, terwijl je bij European Studies enquêtes afneemt of diepte-interviews houdt. Ook in deze fase kan er weer het een en ander misgaan. Zo hebben PFT-studenten op de Research & Development afdeling van een bedrijf een opstelling nodig om hun experiment uit te voeren. Soms heeft het bedrijf deze niet tijdig klaar. ‘Vraag door voor je zo’n opdracht aanneemt,’ tipt Maloncy. ‘Als de opstelling er niet op tijd is, kan ik dan ook op een andere manier doorwerken?’

Scriptie afronden

Als je alles van het onderwerp weet en je de juiste keuzes hebt gemaakt, is het schrijven van je scriptie niet meer zo moeilijk, denkt Van Leeuwen. Toch doet de laatste valkuil zich dan aan. Déjaniera Rampersad, oud-studente Integrale Veiligheidskunde: ‘Het heeft mij het meest verbaasd hoe moeizaam het afronden van de scriptie is verlopen. Op de een of andere manier blééf ik het schrijven maar uitstellen. Ook vond ik het lastig om hulp te vragen. Als ik dit eerder had gedaan was het veel makkelijker geweest!’ Bij het afronden komen studenten vaak weer in tijdnood. ‘De conclusies en aanbevelingen worden nog wel eens afgeraffeld en slordig opgeschreven,’ vertelt Van Leeuwen. ‘Een week de tijd nemen om alles af te ronden is nu eenmaal onvoldoende. En dat is zonde, want zo kan een scriptie die de potentie heeft met een acht te worden beoordeeld, eindigen met een zesje.’

Al zin gekregen in je scriptie na het lezen van dit artikel? Klik dan op de illustratie voor een stap-voor-stap-advies. Kan je wel wat hulp gebruiken bij het schrijven van je scriptie, dan kan ik je die wellicht bieden.

Dit stroomdiagram wijst je stap voor stap op de belangrijkste valkuilen bij het schrijven van een scriptie.
Dit stroomdiagram wijst je stap voor stap op de belangrijkste valkuilen bij het schrijven van een scriptie. Klik om te vergroten.

Dit verhaal verscheen in:

Link magazine van de Haagse Hogeschool

Magazine van de Haagse Hogeschool.

CSI The Hague: HHs speurt mee op hoog niveau

Op televisie hebben we het allemaal al een keer gezien: hightech snufjes die misdaden moeten helpen oplossen. Het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) probeert met tien andere partners, waaronder De Haagse Hogeschool, de fancy onderzoeksmethoden werkelijkheid te laten worden.

tekst: René Rector

Half oktober werd Amanda Knox in hoger beroep vrijgesproken. De Amerikaanse uitwisselingsstudente werd vier jaar eerder gearresteerd op verdenking van de moord op haar huisgenote in het Italiaanse Perugia. Er was een hele berg bewijsmateriaal tegen Knox, maar daar bleef in de rechtszaal niets van over. Een belastende vingerafdruk op de beha-sluiting van het slachtoffer bleek in de beroepszaak niet meer te verifiëren, omdat het bewijsstuk inmiddels was verroest. Ook het moordwapen – een mes met bloed van het slachtoffer op het lemmet en vingerafdrukken van Knox op het heft – raakte in het ongerede. Opmerkelijk: de juryvoorzitter zei na de uitspraak dat hij niet wist of Knox het had gedaan of niet, maar dat de jury op basis van het nog bestaande bewijs niet anders kon dan vrijspreken.

Nederlands Forensisch Instituut

De rechtszaak tegen Knox benadrukt hoe belangrijk een goede verzameling van sporen op de plaats delict is. Alle sporen moeten minutieus worden vastgelegd. ‘Je wilt eigenlijk zo snel en zo veel mogelijk vastleggen, maar tot nu toe zijn de opsporingsmethoden conventioneel,’ aldus Tjark Tjin-A-Tsoi, NFI-directeur. Is er een moord gepleegd, dan transformeert een onderzoeksteam de plaats delict zo goed mogelijk tot een stapel papier: foto’s van alles (met nummertjes en linialen erbij), plaatjes van gevonden vingerafdrukken, enzovoort. In de rechtszaal moeten de aanklager en de verdediging van de verdachte dan vaak bediscussiëren of het bewijsmateriaal wel solide in elkaar steekt. Bij Knox werd het mes uiteindelijk als bewijsmateriaal uitgesloten, omdat het niet op de plaats delict gevonden was.

Het NFI startte in 2009 met een groep hightech bedrijven de ontwikkeling van een nieuwe manier van bewijsvoering. Het principe is eenvoudig: leg zoveel mogelijk van de plaats delict vast en leen daarvoor technologie uit andere expertises. Leer forensisch onderzoekers daarna hoe ze met die technieken moeten omgaan in een laboratorium.

Link CSI-The-Hague spread

Het resultaat is indrukwekkend. Zo beschikt het lab nu bijvoorbeeld over een bril, die vastlegt wat de forensisch onderzoeker die ’m draagt, ziet. Tegelijkertijd geven experts die even verderop op een scherm met de onderzoeker meekijken via een oormicrofoontje aanwijzingen aan de onderzoeker. Ook is een warmtecamera ontwikkeld die nauwkeurig kan registreren of er nog warmtesporen op de plaats delict aanwezig zijn. Heeft iemand op een stoel gezeten? De stoel blijft nog uren meetbaar warm. En ook al zo fancy: een camera die eruitziet als een gewone handycam. Het verschil is dat een gewone videocamera altijd maar drie kleuren licht registreert: blauw, groen en rood. Deze spectrocamera registreert een paar honderd tinten. De camera kan door z’n fijnzinnigheid zelfs op een rood sprei niet alleen bloedsporen ontdekken, maar ook vaststellen hoe lang het bloed er al ligt. Een andere nieuwe tool is een camera die 3D-opnamen kan maken van een plaats delict.

O.J. Simpson en bewijsmateriaal

Het lab is ingericht als een oer-Hollandse straat met dito burgerlijke huisjes. Wie er binnengaat, treft bijvoorbeeld in de woonkamer een met bloed besmeurde paspop, en na enig zoeken een mes in de slaapkamer. Buiten de huisjes kan met grote schermen een ‘straat’ worden nagebootst inclusief dienders die het verkeer regelen en toegestroomd publiek. Dat het lab er ‘net echt’ uitziet heeft twee redenen.

Ten eerste zijn al die hightech snufjes indrukwekkend, maar voor ze echt als bewijs kunnen dienen in een rechtszaal, moeten rechters en advocaten overtuigd zijn van de geldigheid van zulk bewijs. Dat is niet voor niets: in de meeste rechtsstaten geldt dat iemand onschuldig is, tenzij het tegendeel overtuigend bewezen is. Een van de eerste rechtszaken waar DNA-sporen als bewijsmateriaal dienden, was die van de moord op Nicole Brown Simpson en haar minnaar Ronald Goldman, waarbij O.J. Simpson met zijn advocaten de betrouwbaarheid van zulk bewijsmateriaal vele malen aanvocht. Niemand zit erop te wachten dat een moordenaar vrijuit gaat omdat de spectrocamera ondeugdelijk blijkt. ‘Maar het Openbaar Ministerie vraagt steeds meer naar objectief bewijs,’ stelt projectleider Andro Vos van CSI The Hague. Het lab laat zien wat er mogelijk is, maar ‘het is niet aan ons om te bepalen wat deugdelijk is,’ zegt Vos.

Simulatiesoftware

Ten tweede moeten forensisch onderzoekers leren omgaan met nieuwe technieken. Het lab is een trainingsmogelijkheid voor rechercheurs. Zo kan een rechercheteam ‘ter plaatse’ recherchewerk verrichten. Simulatiesoftware bepaalt welk misdrijf er is gepleegd en welke rekwisieten het NFI vooraf moet plaatsen. De oefening begint bij de aankomst in de virtuele ‘straat’, waarna de recherche de woning in real life kan doorzoeken. Camera’s in het lab leggen dan nauwkeurig vast waar iedereen is en welke technieken ze gebruiken. Uit die camerabeelden blijkt gauw genoeg of rechercheurs het onderzoek goed uitvoeren. Daarmee is het lab zowel een onderzoeksfaciliteit om nieuwe onderzoekstechnieken te ontwikkelen en te verfijnen, als een trainingsfaciliteit voor (nieuwe) forensisch onderzoekers.

Nieuwe CSI-technieken aanleren

Training is bij forensische onderzoekstechnieken essentieel. ‘Forensisch onderzoeker is zo’n beroep waarin je pas na een paar jaar goed wordt. Het is eigenlijk heel ambachtelijk werk,’ vertelt Herman de Bruine. ‘De beste forensisch onderzoekers zijn om die reden meestal de oude rotten in het vak: zij hebben er al heel wat oefening op zitten.’

De Bruine doceert aan de opleiding Integrale Veiligheidskunde en vormt de linking pin met De Haagse in het CSI The Hague-project. Hij doet onderzoek naar leren in organisatieculturen. Bij het introduceren van nieuwe forensische technieken zou dat nog weleens een probleem kunnen worden, want als je een nieuwe techniek introduceert, is iedereen weer beginner. En als het hightech is, hebben de jonkies het meestal sneller door dan die oude rotten. ‘De verhouding op de werkvloer verandert. Dat zie je vaak met het invoeren van nieuwe technieken. Nu denken we vaak dat als mensen problemen ondervinden bij de introductie van nieuwe werkmethoden, dat individuele problemen zijn. Dat is niet zo. Het is een probleem dat besloten ligt in de organisatiecultuur.’

Rechercheurs

In sommige organisaties bestaat van nature respect voor elkaars kwaliteiten. In andere organisaties moeten alle individuele leden voldoen aan een (hoge) standaard. In die groep verwacht De Bruine veel meer problemen wanneer zo’n groep moet omgaan met een nieuwe techniek. ‘Het was het NFI ook opgevallen als er rechercheurs komen oefenen in het CSI-lab: de ene groep heeft het als groep veel sneller onder de knie dan de andere groep. In de ene groep leren mensen van elkaar, en is er weinig schroom om hulp te vragen. In andere groepen liep dat veel stroever. Dus nu trainen we groepen tijdens het leren omgaan met nieuwe technieken, ook op de sociale aspecten die daarbij komen kijken.’

Tegelijkertijd is de training een manier om ook de betrouwbaarheid van in de veiligheidssector werkende groepen te vergroten. Hoe beter een groep in staat is met fouten om te gaan en ervan te leren, hoe betrouwbaarder zo’n groep wordt. ‘Dat is dus niet alleen een kwestie van hightech apparatuur, maar ook van een team dat er adequaat mee om weet te gaan,’ aldus De Bruine.

Dit verhaal verscheen eerder in:

Link magazine van de Haagse Hogeschool

magazine voor studenten en medewerkers van De Haagse Hogeschool

Stage in Manila: ‘Omlaag tot aan Smoky Mountain’


Zelf als kind gevlucht voor het regime in Afghanistan, wilde CMV-student Thirjeet Gurwara (26) een stage buiten zijn comfort zone. Hij wilde zien hoe mensen in extreme armoede Omlaag-tot-aan-Smoky-Mountain-1overleven en drong door tot één van de allerarmste sloppenwijken ter wereld. Hij wist dat hij zou breken. De vraag was alleen: wanneer?

tekst: René Rector

Het verhaal van Thirjeet liet zich niet in achthonderd woorden vertellen. Het werden er daarom wat meer. Het verhaalt van zijn motivatie om af te reizen naar een plek waar je niet wilt zijn, de manier waarop mensen er een bestaan opbouwen en hoe ze toch ook de vreugde in hun leven vinden. Sterker nog: eigenlijk vinden de kinderen die leven op de vuilnisbelt Smoky Mountain hun leven best normaal.

Omlaag-tot-aan-Smoky-Mountain-3Het is normaal om geen stromend water te hebben. Geen douche. Weinig eten. Dan, na ongeveer een week het leven filmen van de mensen daar, is Thirjeet er getuige van hoe tussen de vuilnis een overleden kip gevonden wordt. ‘Die verbranden ze niet. Het is slachtafval, maar zij maakten er soep van.’

Nog terwijl de camera draait, als een kille registratie van wat er gebeurt, komen achter de camera de tranen… Bovenal vertelt dit multimediale verslag in vier delen over de manier waarop ervaringen in je studententijd bepalend zijn voor de jaren daarna.

Dit verhaal verscheen op de website van:

Link magazine van de Haagse Hogeschool

Waarom onderzoek onvermijdelijk is

Vraag een gemiddelde hbo-student wat hij weet van onderzoek en er volgt een pijnlijke stilte. Ook bij medewerkers is onderzoek niet erg in trek. ‘Daar zijn we niet van,’ hoor je dan. ‘Hbo is van onderwijs.’ Toch staat onderzoek wel met stip op één in de beleidsplannen van de hogeschool. Sherlock Holmes als rolmodel voor het hbo is onvermijdelijk. Ga maar na.

tekst: René Rector

Zuid-Korea heeft sinds de eeuwwisseling een duidelijke politieke lijn als het gaat om investeren in technologie: het land draait de geldkraan dicht in alle sectoren waar het land niet minstens vijf jaar voorloopt op China. De reden is eenvoudig: China ontwikkelt zo snel, dat technologieën waar Korea geen voorsprong op heeft al snel door de rode reus worden opgegeten. Het heeft voor Korea geen zin te investeren in iets, waarvan China over een paar jaar de winst gaat opstrijken.

Nederland is minder rigoureus, maar ambieert volgens de regeringsplannen om bij de top-vijf van kenniseconomieën te horen. De Tweede Kamer was het in 2009 unaniem eens met die ambitie, zo bleek uit een motie. Alleen… die toppositie heeft Nederland nu niet. Nederland moet de felbegeerde toppositie stee- vast laten gaan naar landen als de Verenigde Staten, Zwitserland en Zweden.

Commissie Veerman

Toch heeft Nederland niet veel keus, kun je lezen in bijvoorbeeld de Kennis en Innovatie Agenda (KIA) en in de adviezen van het Adviesraad voor Wetenschaps- en Technologiebeleid. Met ‘we raken onze welvaart kwijt’ schetste Alexander Rinnooij Kan als voorzitter van de KIA-club eerder dit jaar een doem- scenario. De onderliggende redenering is ongeveer dat Nederland als productieland al lang niet meer is wat het vroeger was.

Produceren doen bedrijven in landen waar de lonen laag zijn: China, Brazilië of India. De dienstensector draait prima, maar uiteindelijk is die niet self supporting. Waar geïmporteerd wordt, moet ook geëxporteerd worden. En waar kun je nou beter goed in zijn dan in innovatie en technologie?

In principe zou Nederland een prima concurrentiepositie kunnen hebben op dat gebied, want het hoger onderwijs is hier op een niveau waar menig land nog een puntje aan kan zuigen. Maar de praktijk is anders. Er gaat verhoudingsgewijs steeds minder geld naar onderwijs en onderzoek, het niveau van het onder- wijs gaat omlaag en Nederland zakt eerder weg op de kennisranglijst dan dat ze stijgt.

Een commissie onder leiding van oud-minister Cees Veerman onderzocht vorig jaar of het hoger onderwijs wel in staat is om de mensen af te leveren die die kenniseconomie kunnen vormen. Het oordeel: ‘Zoals het nu gaat… nee.’ Veerman kwam met een paar opmerkelijke aanbevelingen: selecteer de goede studenten, zo nodig aan de poort. Specialiseer, omdat je anders alles maar middelmatig blijft doen. En: doe onderzoek, en dan met name op het hbo. Veerman signaleert dat de groei van het aantal studenten van de laatste tien jaar niet op universiteiten heeft plaatsgevonden, maar vooral op het hbo. Tegelijkertijd is het hbo vooral een doorstroomfabriek geworden voor havo en mbo. Het hbo is ‘uit’ bij vwo’ers en het onderwijs op het hbo is vervlakt, terwijl de veranderingen in het werkveld juist een meer kritische blik op de aangeleerde kennis vereisen.

Toegepast onderzoek

Staatssecretaris Halbe Zijlstra heeft in een schriftelijke reactie laten weten het rapport ‘te omarmen’. Veerman (en Zijlstra) zien een soort tweedeling voor zich, waarbij wetenschappelijk onderzoek vooral is gericht op fundamentele theoretische vernieuwing, en onderzoek op het hbo vooral moet leiden tot toepassing van wetenschappelijke theorie. Wetenschappers komen meestal niet toe aan toepassingen (zie kader), ook al zijn er talloze pogingen ondernomen om de waarde van maatschappelijk nut bij wetenschappers tussen de oren te krijgen. Het gevolg is dat veel kennis veel minder nuttig is voor de samenleving dan zou kunnen.

Het gat tussen wetenschappelijk onderzoek en maatschappelijke toepassing van kennis moet volgens Veerman en Zijlstra gedicht worden door het hbo. Omdat de voetangel niet zit in de kwaliteit van het Nederlandse onderzoek, maar in de toepassing van kennis in de maatschappij, ligt de grootste uitdaging meteen ook bij het hbo. Dat komt volgens Veerman omdat ‘hogescholen niet kunnen bogen op een lange onderzoekstraditie.’ Dat die rol niet bij universiteiten ligt, komt omdat het probleem een typisch beroeps- praktijkprobleem is. Een aardig voorbeeld is het onderzoek naar de Wii-games, door het Lectoraat Revalidatie deels uitbesteed aan studenten. Dat je door hersenbeschadiging functies kunt kwijtraken, weten we al honderd jaar. Dat je die functies door bewegingsherhaling voor een deel kunt terugkrijgen, is ook al een poosje geleden wetenschappelijk aangetoond. Maar hoe je de therapie daarvoor op een leuke en uitdagende manier vormgeeft, is zo’n vertaalslag naar de praktijk die wetenschappers niet maakten. Toepasbare kennis dus, maar tot voor kort vergeten toe te passen.

Competenties

Het mes snijdt aan twee kanten. De meerwaarde van onderzoek zit ’m er op deze manier namelijk ook in, dat studenten de vakkennis niet klakkeloos naar binnen laten glijden, maar deze kritisch consumeren: the proof of the pudding is in the eating, waarbij de pudding uit kennis bestaat en het eten toegepast onderzoek is. De gemiddelde hbo’er komt straks immers terecht in een beroepspraktijk waar hij/zij moet omgaan met kennis en innovatie die nog niet compleet is uitontwikkeld. Dat maakt dat behalve genoeg vakkennis de student anno 2011 ook de competenties moet hebben die kennis van alle kanten te toetsen op bruikbaarheid en validiteit. Niks geen smakelijk eten: ga eerst maar eens kijken welk stukje van de pudding het best is.

Nu de politieke wind duidelijk uit de onderzoekshoek waait en de ogen hoopvol op het hbo zijn gericht als life line van de kenniseconomie, is het begrijpelijk dat de beleidsplannen niet langer focussen op diversiteit en ‘elk talent telt’. Straks gaat de subsidiekraan naar verwachting juist open op initiatieven die de missing link tussen wetenschappelijke theorie en beroepspraktijk proberen op te vullen.

Waarom wetenschappers niet van toepassingen houden

Wetenschappers zijn niet of nauwelijks geïnteresseerd in toepassing van hun theorieën. De reden daarvoor is eenvoudig: daarop wordt de kwaliteit van hun onderzoek niet gemeten. Onderzoek moet nieuw en origineel zijn – dat is de maatstaf. Hoe goed een wetenschapper is, kun je opzoeken in de Science Citation Index – een ranglijst die telt hoe vaak een wetenschapper wordt aangehaald in onderzoek van anderen. Als op een universiteit een nieuwe hoogleraar wordt benoemd, kijkt de sollicitatiecommissie nog altijd vooral naar zijn wetenschappelijke prestaties en die wordt in toenemende mate afgelezen uit de SCI.

Dit verhaal verscheen eerder in:

Link magazine van de Haagse Hogeschool

Magazine van De Haagse Hogeschool.