Categoriearchief: Onderwijs

‘Hij pikt veel, dat is waar’

Vakmanschap is meesterschap. Maar hoe leer je fatsoenlijk gaatjes boren, kronen plaatsen en kiezen trekken zonder een spoor van vernielingen achter te laten bij patiënten? Bij tandheelkunde hebben ze daar iets op gevonden: de fantoompop. In het derde jaar leren studenten ermee bruggen bouwen.

tekst René Rector

Het practicum van vandaag heet ‘Kronen en bruggen’, en het vormt het sluitstuk van de bachelorfase. Het is druk in de practicumruimte, want de afsluitende toets is morgen en vanmiddag is dus de laatste mogelijkheid om de technieken nog verder in de vingers te krijgen. Iedere student heeft daartoe de beschikking over een eindeloos makkelijke patiënt: een pop die naar believen de meest vreselijke aandoeningen in de mond gelegd kan krijgen. De poppen hebben een bescheiden romp, erg beweeglijke latexwangen en een boven- en onderkaak, waar je het gebit voor het gemak ook in zijn geheel uit kunt nemen. Uit het achterhoofd komt een tuinslang. Die blijkt voor de afvoer van koelwater: boren gaat hier ‘voor het eggie’.

Oefenen op de fantomen heeft voordelen: het ziet er realistischer uit dan op een los gebitje en de tandartsen in spe wennen ook vast wat aan de houding, waarin ze later met echte patiënten aan het werk moeten. “Je merkt dan pas goed wat voor rare dingen je eigenlijk doet. Soms betrap ik mezelf erop dat ik al een hele tijd met mijn elleboog op zijn borst leun. Dat kan natuurlijk niet”, merkt een student op. “Maar hij pikt veel, dat is waar.”

Santusha is nog niet toe aan haar toets, maar oefent wel voor het huzarenstuk: de brug. Die plaats je wanneer iemand een kies mist, maar de naastliggende kiezen nog lekker stevig zijn. Santusha heeft bij haar fantoom de wortel van de ontbrekende kies vervangen door een stukje kneedgum. Het principe van de brug is eenvoudig: slijp beide naastliggende kiezen een beetje af, maak voor elke kies een passend dopje dat er als een kies uitziet en bevestig een nepkies tussen de dopjes. Is dat moeilijk? “Nou, je moet convergeren”, begint Santusha. “Dat wil zeggen dat je de elementen zo moet afslijpen dat ze naar het uiteinde toe een beetje taps toelopen. Anders past de brug er straks niet mooi op. En dan mag je ook niet te veel afslijpen, want dan beschadig je het oorspronkelijke materiaal. Voor metaal moet je een millimeter afslijpen, voor porselein anderhalve millimeter…”

Net topsport

Zo gaat het nog even door met een waslijst aan vereisten. Eenvoudiger is het antwoord op de vraag of het een beetje wil lukken met de brug in kwestie. “Nee. Dit is niet meer te redden. Ik heb er bij het voorste element te veel afgeslepen.” Santusha houdt een naald in de mond van het altijd willige proefkonijn en wijst op een markering op de naald. “Zie je, da’s meer dan anderhalf.”

Even verderop is collega Roelf-Jan bezig aan een kroon. Voor wie nog een gaaf gebit heeft: een kroon krijgt u wanneer uw kies echt niet meer met vullen te redden is. De tandarts slijpt hem dan een stukje af en er komt een porseleinen kapje op. Roelf-Jan bestudeert zijn werk, en zijn peinzende blik zegt genoeg. Hij heeft het occlusale vlak te ver afgeslepen. En ook de bevel is niet optimaal, verzekert hij me. Ik knik vol begrip, vurig wensend dat mijn eigen occlusale vlakken en bevels, wat dat ook mogen zijn, nooit geslepen hoeven te worden. “Het luistert gewoon heel nauw”, relativeert Roelf-Jan zijn zelfkritiek. “Tandartsen zijn bezig op de millimeter, dus het is al gauw niet perfect. Daarom is het maken van kronen en bruggen ook het moeilijkste vak.” Roelf-Jan vindt dat gepriegel helemaal goed: “Je kunt iets maken dat echt goed in elkaar steekt, maar daarvoor moet je veel oefenen. Je wordt nooit een goede tandarts als je gaatjes boren niet leuk vindt. Want dat is wat je meest van tijd staat te doen: boren en gaatjes vullen. Tandartsenwerk is echt een ambacht – dat is wat me erin aantrok.”

Voor de kwaliteitsbewaking is er docent Richard aan de Stegge. Kronen en bruggen maken is een kwestie van veel oefenen, en wie het idee heeft dat het gebit van zijn of haar fantoom wel een blik van de meester waardig is, klikt het gebit eruit en wandelt ermee naar Aan de Stegge. Rond zijn katheder staat een kringetje tandartsen-in-de-dop, en menig fantoomgebit gaat rond om elkaars werk te becommentariëren. Het kaakje dat nu de toets der kritiek moet doorstaan is ‘bijna goed’. De brug past prima, maar een van de aanpalende kiezen convergeert niet. “Dat werk ik nog bij”, besluit de eigenares van het werkstuk. Een ander gebit heeft een bijna perfecte brug. “Wat zal ik doen?”, vraagt de studente die het komt laten zien. “Nog een doen? Het kan nog net, voor de toets van morgen.” “Ach, tandartsenwerk is net topsport”, vindt Aan de Stegge.

Dit verhaal verscheen in Gewoon Bijzonder, magazine van

Vrije Universiteit Amsterdam