Categoriearchief: Natuur & milieu

Jan Buisman: ‘Ik vind het weer interessant, maar de gevolgen nog veel meer’

Zijn vroegste jeugdherinnering dateert van de strenge winter van 1929. Als vierjarige kon hij op de Lek lopen, waar normaal de gierpont heen en weer voer. Jarenlang mat Jan Buisman driemaal daags temperatuur, luchtdruk, windrichting en hoeveelheid neerslag. Na meer dan tien* jaar spitten in archieven verschijnt nu zijn boekenreeks Duizend jaar weer, wind en water in de Lage Landen. Meteorologen, geschiedkundigen en zelfs cultuurhistorici kunnen profiteren van zijn minutieuze archiefarbeid.

tekst René Rector, Sciencestories.nl

De woning van Jan Buisman is, in zijn eigen woorden, ‘een chaos’. Zijn werkkamer is een verzameling van stapels papier en boekenkasten, waaruit tijdens het interview het ene na het andere boek tevoorschijn komt. Oorzaak van de chaos is een recente verhuizing. Buisman (77) woonde precies twee deuren verder, op de elfde verdieping van een torenflat in ’s-Gravenhage. “Maar die keek uit op het noorden. Dan zie je niks. Bij iedere depressie moest ik vanaf het balkon om een hoekje gluren. Hier zie ik Den Haag, in de verte Rotterdam. Het spoor, de A12. En je kunt hier ook prachtig het weer bestuderen. Alle fronten uit het zuidwesten kan ik zien. Het is net theater.”

Actieve zee

Buisman werkt al tien jaar aan wat uiteindelijk de zevendelige reeks ‘Duizend jaar weer, wind en water in de Lage Landen’ moet worden; een kroniek waarvan nu de eerste vier delen af zijn. Een historisch overzicht van het weer is geen novum. Cruquius begon in 1706 met instrumentele waarnemingen. Zijn reeks werd later voortgezet in Zwanenburg en nog later door het KNMI. Vóór deze datum is het lastig kwantitatieve gegevens over het weer te vergaren. “Meteorologen zijn in het verleden ook wel in de historie gedoken, maar zij vergaten bronnenkritiek toe te passen. Zo wordt de negende eeuw nogal eens afgeschilderd als een tijd met een zeer actieve zee. Zeker tien stormvloeden zouden er hebben plaatsgevonden. Als je in literatuur uit de negentiende eeuw gaat zoeken, vind je nog maar acht van die stormvloeden terug, en in geschriften uit de vijftiende eeuw nog maar vijf. Hoe verder je teruggaat, hoe minder stormvloeden er overblijven, tot ze alle terug te voeren blijken op slechts één: 838. Wèg is je ‘actieve zee’, hoewel daar in het verleden de inmiddels achterhaalde theorie over transgressiefasen op gebaseerd was. Gewoon: een stormvloed.” Vaak blijkt een foutieve overname de oorzaak van de vermenigvuldiging van gegevens. Het cijfer 8 wordt in het Romeinse getallenstelsel aangegeven met VIII. Valt de V onduidelijk uit, dan krijg je een X, zodat van 8 13 wordt gemaakt.

Jan Buisman…

… is geïntrigeerd door het ‘stormglas’, een gesloten reageerbuis met een mengsel van alcohol, aquadest, kaliumnitraat, ammoniumchloride en kamfer. De kristallen die het vormt zouden een kundig lezer iets zeggen over het weer. “Niemand weet hoe het werkt. Temperatuur is niet de oorzakelijke factor. Misschien luchtdruk, waarschijnlijk straling. Het zou een aardig onderwerp zijn voor een chemicus om dat eens uit te zoeken.”

Voeg daarbij dat het een tijd gebruikelijk is geweest dat het jaartal versprong met Kerstmis, of met Pasen en dat niet alle delen van de Lage Landen op hetzelfde moment van de Juliaanse op de Gregoriaanse stijl overstapten. De kans op onjuiste berichtgeving wordt dan levensgroot. Met name de bronnen uit Groot Brittannië scheppen veel verwarring omdat dit land qua telling pas in de achttiende eeuw in de pas ging lopen met het continent. De strenge Britse winter van 1683 is precies dezelfde als die van 1684 in Nederland. Hierdoor lijkt het vaak of koude of zachte winters altijd in paren voorkwamen. “Onzin”, stelt Buisman resoluut. “Weer heeft geen geheugen!”

Stormvloeden

Historische overzichten daarentegen ontbreken het vaak aan weerkundig inzicht, vindt Buisman. “Een ‘strenge winter’ is gedefinieerd, net als een ‘stormvloed’. Maar een ‘strenge winter’ in de veertiende eeuw, werd daar toen hetzelfde mee bedoeld als het KNMI het nu definieert?” Stormvloeden, als indicator voor klimaatverandering, zijn al helemaal twijfelachtig. Op zich is het zo dat, als het wereldwijd warmer wordt, de poolkappen afsmelten waardoor de zeespiegel stijgt. Daar zijn in het verleden niet veel metingen naar verricht, maar uitgaande van die theorie mag je verwachten dat het aantal stormvloeden zal toenemen als het warmer wordt. Van de stormvloeden vóór 1700 is meestal slechts bekend dat land overspoeld wordt door water. Het oorzakelijk verband tussen overstroomd land en zeeniveau gaat mank, vindt Buisman, die zich erover verheugt zulke misverstanden te kunnen ophelderen: “Als je conclusies wilt trekken uit het aantal stormvloeden over bijvoorbeeld de stijging van de zeespiegel, dan ontstaan er twee problemen. Allereerst werden dijken en waterkeringen niet altijd even goed onderhouden. In tijden van oorlog werden veel staatsuitgaven aan de strijd besteed en verwaarloosde men de dijken. Je bent dus niet het zeeniveau aan het meten, maar het welvaartsniveau. Vervolgens is een stormvloed nu omschreven als een overschrijding van het grenspeil, dat weer gedefinieerd is als het niveau, dat gemiddeld eens in de twee jaar wordt bereikt. Zo heb je dus gemiddeld elke twee jaar een stormvloed. Neemt de frequentie toe, dan wordt het baken verzet. Het grenspeil wordt met het zeeniveau mee verhoogd. Dus wat meet je dàn?”

Jan Buisman…

… zou ‘doodgaan’ als hij moest ruilen met zijn onderburen op de begane grond. “Die kijken uit op de blinde muur van een Chinees restaurant. Geef mij maar overzicht. Hoog wonen is prachtig; je kunt alle weer zien aankomen.”

Toen in de jaren tachtig de vraag belangrijk werd of het klimaat aan het veranderen was, bestond in De Bilt behoefte aan kwantitatieve data omtrent het weer, ook van voor 1706. Buisman had begin jaren tachtig een boek geschreven met als titel: ‘Bar en boos – zeven eeuwen winterweer in de Lage Landen’. Als weeramateur en historicus werd hij naar aanleiding van dit boek door het KNMI gevraagd om de kroniek te schrijven: een boek dat een overzicht zou geven over àlle weersomstandigheden. “Ik ging toen net met pensioen. Ik was geïnteresseerd; ik was van de straat. Wel vond ik, dat het meer moest zijn dan een dorre wetenschappelijke rapportage. Het moest leesbaar worden. Zo ijdel ben ik wel: ik wil gelezen worden.”

Strenge winter

Het weer heeft iets speciaals voor Buisman. Een van zijn vroegste jeugdherinneringen is die aan de dichtgevroren Lek. Het was een strenge winter, in 1929. De pontwachter had met zand een pad over het ijs aangelegd. Kleine Jantje Buisman keek er, staande op de dijk in Culemborg, vlak bij zijn ouderlijk huis, met grote ogen van verbazing naar… dat je kon lopen waar normaal de gierpont heen en weer ging. Het weer liet Buisman niet meer los, zeker niet toen zijn ouders een jaar later naar Borculo verhuisden. Borculo, dat was het ‘wereldberoemde’ stadje met de nieuwe daken, sinds de oude in 1925 door een windhoos waren vernield.

Jan Buisman…

… hoopt nog altijd op eerherstel voor de Twaalfstedentocht. Deze Noord-Hollandse schaatstoer werd in 1676 verreden via de route Haarlem, Amsterdam, Weesp, Naarden, Muiden, Monnickendam, Edam, Purmerend, Hoorn, Enkhuizen, Medemblik, Alkmaar, Haarlem. “Het zou een geweldig evenement kunnen zijn, ouder dan de Elfstedentocht. Ja, het is wel een gedoe natuurlijk, om het te organiseren. Maar het zou ook een geweldige trekker zijn voor Noord-Holland. Het MKB zou het moeten oppakken, zeker met de ledenstop in Friesland.”

De belangstelling voor het weer nam in 1938 grote vormen aan. Een dik pak sneeuw veroorzaakte een “prachtige witte kerst, zoals het gedefinieerd is: ‘Een sneeuwdek in De Bilt op beide dagen’.” Buisman nam zich, dertien jaar oud, voor om driemaal daags temperatuur, luchtdruk, windrichting en aard en hoeveelheid van neerslag te meten. De witte kerst, en de lage frequentie waarmee die zich voordeed, inspireerde hem tot een meetreeks, die hij tot in 1952 volhield. “In de oorlog was dat wel lastig. Ik zwierf door Nederland en Duitsland, nadat ik tweemaal aan een razzia was ontsnapt.”

Observator

De oorlogsjaren maakten van Buisman een kundig weeramateur. Weerberichten waren toentertijd verboden, want die waren militaire informatie, dus stelde Buisman voor de mensen in zijn omgeving zelf een weerbericht op. Aan de aard, richting, vorm en omvang van wolken kun je veel aflezen over het weer voor de komende dagen. “Ik ben een observator. Ik wilde graag door middel van observeren begrijpen hoe ik bepaalde signalen moest interpreteren. Dat is weersverwachting.” In 1961 schreef hij ‘Weer of geen weer’, een boek met ongeveer duizend regels om zelf een verwachting op te stellen.

Een studie meteorologie zou voor de hand liggen, voor iemand die zo in het weer geïnteresseerd is. “Dat ging niet. Mijn bètavakken waren te zwak. Al die natuurkunde… Ik vind het ook niet leuk. Ik vind stormweer prachtig, maar het interesseert me niet erg hoe het ontstaat. Mijn aandacht gaat meer uit naar de gevolgen, zoals stormvloeden.” Vanuit die insteek begon hij in 1980, na enkele koude winters, aan zijn verzameling over winterweer, waardoor hij later aan ‘Duizend jaar weer, wind en water…’ zou werken. De voorliefde voor de gevolgen doet zijn weerchronologie ook veel meer tijd in beslag nemen dan aanvankelijk gedacht. “Er gaat heel veel tijd zitten in het uitzoeken van historische gegevens. Wind is essentieel bij zeeslagen, bijvoorbeeld omdat je aan de bovenwindse –loef– kant het minst kwetsbaar bent. De slag bij Solebay in juni 1672, waarbij De Ruyter won, of de Tweedaagse Zeeslag in augustus 1666 bij Duinkerken, waarbij hij verloor, zijn niet te begrijpen zonder te weten dat hij in Solebay gunstig voor de wind lag, en collega Tromp bij Duinkerken niet bij het slagveld kon komen door gebrek aan wind. Deze zeeslagen zijn van groot belang geweest voor onze geschiedenis.”

Jan Buisman…

… mag graag luisteren naar klassieke muziek; Mozart, Verdi, Händel. Ook volksmuziek uit Griekenland en de Balkan streelt zijn oor. De hele dag muziek op is echter een gruwel: “Stilte is ook mooi.”

Voor de meteorologie is het werk van Buisman van grote waarde. Elke winter kwantificeert hij naar huidige maatstaven, daarbij zoveel mogelijk bronnen raadplegend. Kwantificering is onvermijdelijk een interpretatie, maar Buisman probeert zich niet voor een gat te laten vangen. Een week vorst in november kan de graanoogst van het erop volgende jaar doen mislukken, en is in de beleving van wie erbij was ‘een zeer strenge winter,’ terwijl de rest van de winter misschien kwakkelde. Om die reden kijkt Buisman ook naar bijvoorbeeld rekeningen van de trekvaart. Het maakt verschil als die wegens ‘besloten water’ een week buiten dienst was of twee maanden. “Het mooiste vind ik als twee bronnen elkaar tegenspreken. Zo staat er in het vierde deel van de reeks een fout: op 5 september 1665 zou de kerktoren van Valkenburg (bij Leiden) zijn afgebrand na een blikseminslag. Nu stuitte ik onlangs op een brief van een tijdgenoot, een advocaat, die beschreef hoe zich ten tijde van Sint Nicolaas een zware storm had gewoed. En passant merkte hij op dat in Valkenburg op 5 december de bliksem in de kerktoren was ingeslagen. Eén van die bronnen moet zich vergissen. Toen ik het nakeek, bleek mijn eerdere bron onbetrouwbaar.”

ºFlor

De komende delen gaan over de achttiende, negentiende en twintigste eeuw. Voor deel 5 blijft het oppassen. Er is toen een begin gemaakt met het meten van temperatuur, maar aanvankelijk zijn er tientallen schaalverdelingen gebruikt. Uit gegevens is niet altijd duidelijk of in Celsius, Fahrenheit of Réaumur is gemeten. De eer voor de oudst bekende temperatuurmetingen valt overigens geen van deze schalen te beurt. “In 1667 reisde Cosimo de Medici, prins van Toscane, door de Lage Landen. In zijn dagboek staan verschillende waarden genoteerd: 13 °Flor op 21 december bijvoorbeeld, 12 °Flor op de drieëntwintigste. In de negentiende eeuw heeft men bij het opruimen van een kelder in Florence een kist gevonden, die vol oude thermometers van Cosimo bleek te zitten. Ze waren geijkt en verrassend goed bewaard. Daardoor weten we nu dat het op 21 december -0,8 °C was, en twee dagen later -2,1 °C. Het is de oudst bekende meetreeks. Dat soort vondsten vind ik spannend.”

CV

Drs. J. Buisman (1925), geboren in Culemborg en getogen in Borculo, was na zijn opleiding aan de Christelijke Kweekschool in Den Haag verscheidene jaren onderwijzer. Hij studeerde op latere leeftijd in Amsterdam aanvankelijk sociale geografie (“Maar dat was veel te vaag”) en daarna historische geografie (doctoraal 1968) en werkte 28 jaar als leraar aan het St.-Janscollege (thans Hofstadcollege) in Den Haag. Hij schreef twintig boeken, waaronder ‘Weer of geen weer?’, ‘Nederland zoals het was, zoals het is’ en ‘Bar en boos, zeven eeuwen winterweer in de Lage Landen.’

* Dit verhaal verscheen in 2002 in N&T wetenschapsmagazine, een voorloper van de Nederlandse

NewScientist

Buisman schrijft nog steeds aan zijn encyclopedie van het Nederlandse weer. In 2015 verscheen het zesde deel.

Sarka Jiraskova: ‘Uiteindelijk is eenzaamheid daar je grootste vijand’

Sarka Jiraskova wilde graag een korte buitenlandstage: twee maanden onderzoek naar biologische brestrijding van een woekerende watervaren in een Senegalese rivier. Ze bleef echter meer dan een jaar weg, om pelikanen te leren achter een microlight (een deltavlieger met een motortje). Die training, van pelikanen Simpson en Karcher, leidde tot een publicatie in Nature over de energie-efficiëntie van het vliegen in formatie – een knappe prestatie voor de masterstudente.

tekst: René Rector, Sciencestories.nl

Het vliegen achter een microlight was nodig om goede filmompnamen te kunnen maken voor de film Winged Migration (of: Travelling Birds). Tegelijkertijd onderzocht het team hoe pelikanen eigenlijk vliegen. In een openhartig interview vertelde Jiraskova hoe onderzoek in een multinationaal onderzoeksteam in de tropen te werk gaat, hoe het lukte om de pelikanen te filmen en hoe de bestrijding van de watervaren volledig mislukte omdat de Senegalese regeringsvertegenwoordigers een mooie foto in de krant belangrijker vonden dan het gecontroleerd uitzetten van de snuitkevers die de waterplant moesten gaan opeten.

Dit verhaal verscheen in Natuur en Techniek, een voorloper van:

NewScientist 

In de ban van de ring

Het lijkt wel een piratenverhaal: je weet ergens een schat verborgen van grote waarde. Die waarde neemt alleen maar toe. In Hollywood is dat goed voor een mooie film. In de wetenschap doe je iets anders: je probeert schatkaarten te verkopen.

tekst: René Rector

Echt ‘piratesk’ is de bescheiden expeditie voor de kust van Zandvoort, op een koude decemberdag, niet. Medewerkers van de Instrumentele Dienst van de Faculteit der Aard en Levenswetenschappen zijn samen met hydroloog Koos Groen druk in de weer een vlot met een diameter van vijftig meter uit te pakken, om daarmee metingen te verrichten. ‘Vlot’ is sterk uitgedrukt. Een stelsel van dertien opblaasbare ringen en een bundel elektronica moeten uitwijzen of in de zeebodem zout dan wel zoet water zit.

Het waren toevallige olieboringen voor de kust van Suriname, die Groen een paar jaar geleden de wenkbrauwen deden optrekken. Groen was helemaal niet op zoek naar olie. Hij heeft als hydroloog iets met grondwater. Aangezien de olieboringen bij Suriname in zee plaatsvonden, viel hem één saillant detail op: honderd meter onder de zoute zee was het grondwater bijna zoet. Hoe kan dat? “Het meest waarschijnlijke is, dat in de laatste ijstijd, toen de zeespiegel veel lager lag, het grondwater zoet was in de grond die nu de zeebodem is. Voordat de zeespiegel begon met stijgen, is die grond afgedekt met een laag klei, zodat het zandpakket eronder niet of maar heel langzaam verzilt”, zegt Groen. De situatie voor de Surinaamse kust is ook helemaal niet bijzonder: er zijn talloze plekken waar onderzees grondwater hoogstwaarschijnlijk zoet tot licht brak is, tot zelfs honderd kilometer uit de kust.

Met deze kennis maak je misschien goede sier op een verjaardagsfeestje, maar wat hebben we eraan? Zolang het water in de grond zit, niet al te veel. Maar schoon zoet water is schaars. Nu al hebben 1,4 miljard mensen in dertig landen een tekort aan schoon water. Dat is eenvijfde deel van de wereldbevolking. Naar verwachting is dat aantal in 2025 opgelopen tot 2,3 miljard, bijna eenderde deel van de wereldbevolking. Als er tenminste niets gebeurt. We gebruiken namelijk steeds meer water. De World Health Organisation schat dat een mens voor huishoudelijk gebruik minimaal 30 liter per dag nodig heeft. De hoeveelheid neemt sterk toe met het welvaartspeil van een land. In Nederland loopt het verbruik op tot 135 liter per dag. En dan is het verbruik in de landbouw (naar schatting zo’n 80 procent van het totaal), industrie en energieproducenten nog niet eens meegenomen. Voeg daarbij de wetenschap dat 70 procent van de wereldbevolking minder dan 100 kilometer van de kust woont, dus relatief dichtbij onderzees grondwater, en de miljarden liters onderzees grondwater worden ineens een waardevolle schat.

Groens oplossing is eenvoudig: in plaats van dure ontziltingsinstallaties voor zeewater sla je voor de kust een put en pomp je het water, meer dan tienduizend jaar oud, op. Uiteraard is ook de onderzeese voorraad ooit een keer op, maar Groen schat dat de hoeveelheid dermate groot is, dat het loont en zinvol is om die voorraad aan te boren. “Je stuit alleen op een praktisch probleem: hoe weet je nu precies waar onderzees grondwater zoet of zout is? In Suriname boorden we naar olie en kwam ik er toevallig achter dat het grondwater zoet was. Maar je kunt niet even een proefboring voor ieder willekeurig stuk kust doen. Dat is veel te duur.”

De oplossing denkt Groen gevonden te hebben in een techniek die geologen op het land al jaren toepassen: TDEM. Dat staat voor time-domain electromagnetic method. Het principe ervan is dat niet alle aardlagen dezelfde elektrische weerstand hebben. Geologen sturen daarom een krachtige elektromagnetische golf de aardbodem in. Aardlagen kaatsen als reactie daarop, afhankelijk van hun weerstand, weer een signaal terug. Door de verschillen in reactie is rots van zand, of zand van klei te onderscheiden. Geologen komen dan veel aan de weet over de gesteldheid van de bodem. “Grondwater bepaalt sterk wat voor weerstand een aardlaag heeft, en zout grondwater laat in de meetresultaten daardoor iets anders zien dan zoet grondwater. Daardoor is deze techniek ook geschikt om het zoutgehalte van grondwater te meten.”

Hydrologie

Vanaf het zeeoppervlak is deze elektromagnetische methode nog niet eerder toegepast. Geologen stonden er, om twee redenen, niet voor in de rij. Allereerst durfde niemand, ook Groen niet, te voorspellen of de methode zou werken. Het had best gekund dat het zeewater de meting te veel verstoorde. Vervolgens heeft TDEM een praktisch nadeel: de ring die de elektromagnetische golf de aarde of de zeebodem in moet sturen, heeft een diameter van vijftig meter. Op het land is dat geen groot probleem, maar op water is dat wel anders. Met zulke moeilijkheden moet je een goede reden hebben om je aan zo’n experiment te wagen. En die reden had Groen. De Instrumentele Dienst dacht een transporteerbaar, relatief goedkoop stelsel uit van opblaasbare luchtbanden die als ruggengraat moet dienen voor de ring.

©René Rector
Koos Groen speurt op de Noordzee naar onderzees grondwater

Begin november ging het gevaarte ten doop op de Gooise randmeren. “Het is daar rustiger dan op zee”, verklaart Groen. De anderhalve meter water vormde voor de ring geen probleem. Na het verhelpen van de kinderziektes was half december de Zandvoortse kust aan de beurt voor de ultieme test. Ondanks slecht weer, onwillige opblaasringen en een slecht bestuurbare boot, lukte de meting. De voorlopige resultaten laten zien dat er inderdaad op circa 23 meter diepte een bijna zoete laag met een dikte van 10 tot 20 meter dikte wordt waargenomen. Deze laag loopt door tot in elk geval 2,5 kilometer uit de kust De meetmethode kan dus inzicht geven in de condities waaronder onderzees grondwater zoet is. Voor Groen is belangrijker dat het niet blijft bij leuke kennis, maar dat er met die kennis ook iets gedaan wordt. Groen is directeur van het aan de VU verbonden Acacia-instituut. Het instituut heeft als doelstelling commerciële toepassingen te vinden voor wetenschappelijke kennis. Acacia is bijvoorbeeld betrokken bij een Unesco-project waarin mensen in ontwikkelingslanden waar water schaars is les krijgen in de hydrologie. Ook adviseert het instituut overheden van eilanden, zoals Bonaire, waar drinkwater een probleem is.

Inmiddels is het instituut ook, net als de VU, aandeelhouder van Sea Spring Water. Dit is een commercieel bedrijf dat het concept van onderzees grondwater wil gaan verkopen. “Er komt veel bij kijken”, vertelt oprichter Rogier van Opstal, met zijn voeten in het Zandvoortse strandzand. “De meetmethode is voor Sea Spring Water erg interessant, omdat we dan weer een stap verder zijn. Het is een gereedschap, dat we straks willen aanbieden.” Het lijkt Van Opstal namelijk weinig zinnig om straks eilandoverheden te interesseren voor een drinkwatervoorziening, waarvan de opsporingsmethode alleen al onbetaalbaar is. Nu blijkt dat je met een bootje op zee de waterhuishouding van de zeebodem goed kunt meten, valt dat bezwaar weg.

Ontzilten

Sea Spring Water houdt zich verder bezig met het ontwikkelen van andere dienstverleningspakketten. Of onderzees grondwater een geschikte drinkwatervoorziening kan zijn, hangt volgens Van Opstal af van tal van factoren. “Het zoete water verzilt soms langzaam. Het oppompen van licht brak water kan dan een goed alternatief voor het ontzilten van zeewater zijn, maar omdat je toch ook dit brakke water moet ontzilten (alleen een stuk minder dan zeewater, want het is minder zout), wegen de baten wellicht niet tegen de kosten op. Ook de plaats van een eventuele boorput is van belang. Een platform met een pijpleiding één kilometer uit de kust kost al miljoenen. Om over tien kilometer maar helemaal niet te spreken. Daarentegen is de exploitatie weer veel goedkoper dan het ontzilten van zeewater”, aldus Van Opstal. Hij verwacht over twee jaar winstgevend te kunnen draaien met Sea Spring Water.

Of zoet water onder de zoute zee ooit een vervanger van Spa blauw zal worden, is niet met zekerheid te zeggen. Wel zeker lijkt, dat de beschikbaarheid van schoon drinkwater de komende decennia een steeds groter probleem zal worden, zo bleek twee jaar terug tijdens het internationale waterjaar. Groen: “Wetenschappers kunnen ook een bijdrage leveren. Er zijn zoveel onderwerpen waarop je kunt studeren, maar ik vind dat als je wetenschappelijk onderzoek doet, je net zo goed kunt proberen om een onderwerp aan te pakken waar mensen iets aan hebben. Het hoeft elkaar niet te bijten, ook al hoor ik dat nog wel eens zeggen binnen de wetenschap.”

Patenten

Sea Spring Water wordt ondersteund door Acacia en het Centrum voor Innovatie en Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (CIMO). Dit centrum is een gezamenlijk initiatief van de VU en Hogeschool Windesheim. Het richt zich op onderwijs, onderzoek en ondernemerschap gebaseerd op innovatie en drie P’s: People, Planet en Profit. Door kennis over innovatie en maatschappelijk verantwoord ondernemen toepasbaar te maken, wil CIMO een bijdrage leveren aan een duurzame samenleving. Het centrum richt zich op het inspireren van studenten door het aanbieden van onderwijs op het gebied van maatschappelijk verantwoord ondernemen. Daarnaast begeleidt CIMO startende ondernemers binnen de VU, zolang hun werkzaamheden voortkomen uit kennis die vergaard is aan de VU. Met hulp van CIMO kunnen starters hun idee omzetten in een bedrijf. Dit gebeurt door interessante plannen te inventariseren en vervolgens de starter te motiveren om zelf initiatief te ontplooien. Verder staat CIMO de starter bij met onder andere advies over patenten, ondernemingsplan, juridische zaken en financiering.

Koos Groen publiceerde zijn bevindingen in 2013 in Nature. Dit verhaal verscheen in 2006 in Gewoon Bijzonder, magazine van:

Vrije Universiteit Amsterdam