Categoriearchief: Milieu

Duurzame verpakkingen

wur-food-biobased-duurzame-verpakkingen-overzichtDe ontwikkeling van duurzame verpakkingen vraagt om inzicht in de hele verpakkingscyclus én om kennis van de consument. Niet alleen het materiaal van de verpakking bepaalt de duurzaamheid, maar ook de oorspronkelijke grondstof, de voordelen voor het verpakte product en bijvoorbeeld de end-of-life-opties zoals recycling of compostering. De verpakking moet bovendien zo ontworpen zijn dat consumenten deze willen kopen én correct gebruiken.
Voor onderzoeksinstuut Food & Biobased Research (FBR) van de Wageningen Unisversity & Research schreef ik de webteksten rond het thema. Food & Biobased Research heeft de expertise in huis om de gehele levenscyclus van verpakkingsmaterialen te betrekken in onderzoek naar het verpakkingsmateriaal dat het te verpakken product het beste heel of vers houdt vanaf de productie tot de consument. Food & Biobased Research probeert daarbij een optimale balans te vinden tussen duurzaamheid, praktische vereisten en wensen van een klant.

1 Duurzame grondstoffen

wur-food-biobased-duurzame-verpakkingen-1-grondstoffenDe levenscyclus van een verpakkingsmateriaal doorloopt zes stadia. Aan de wieg moet er antwoord komen op de vraag: welke grondstof kiezen we? Wageningen UR Food & Biobased Research zet een breed palet aan commercieel beschikbare grondstoffen in bij de ontwikkeling van nieuwe, duurzame verpakkingen: plastic, karton, hout, glas en blik. Daarnaast ontwikkelen we verbeterde of compleet nieuwe duurzame verpakkingsmaterialen.

2 Eigenschappen

wur-food-biobased-duurzame-verpakkingen-2-eigenschappenBij de keuze voor een verpakkingsmateriaal is het van belang vast te stellen wat het materiaal moet doen voor het product, hoe het vervoerd wordt, wie het product gaat uitpakken en hoe dat gebeurt. Wageningen UR Food & Biobased Research onderzoekt eigenschappen van verpakkingsmaterialen om duurzame verpakkingen met een optimale ketenprestatie te ontwikkelen.

3 Het verpakte product

wur-food-biobased-duurzame-verpakkingen-3-het-productEen verpakking is primair bedoeld om ervoor te zorgen dat een product op een praktische, handzame manier en met zo min mogelijk schade bij de eindgebruiker komt. Hoe een verpakking daar het best voor kan zorgen hangt sterk af van de eigenschappen van het verpakte product en daarmee de eisen die aan de verpakking gesteld worden. Wageningen UR Food & Biobased Research heeft veel ervaring met eisen die producten stellen aan verpakkingen. Die eravring variëert van versproducten zoals voedsel en bloemen tot producten als elektronica en chemicaliën.

4 Logistiek

wur-food-biobased-duurzame-verpakkingen-4-logistiekSnel, langzaam, over de weg, per spoor, schip of vliegtuig, koud, warm… de omstandigheden waaronder producten vervoerd worden lopen sterk uiteen. Een verkeerd gekozen verpakking kan optimaal transport frustreren. Het kan grote gevolgen hebben voor de kwaliteit van een product, en daarmee de financiële marges flink onder druk zetten.

5 Consument en verpakking

wur-food-biobased-duurzame-verpakkingen-5-consument-en-verpakkingVerpakkingen hebben invloed op de keuze die een consument maakt. Specifieke voordelen, zoals een lipje waarmee een verpakking makkelijk geopend kan worden, of de grootte van een verpakking, kunnen cruciaal zijn. Veel gunstige eigenschappen van verpakkingen – zoals verbetering van houdbaarheid van producten of een duurzame herkomst – zijn voor de consument niet in één oogopslag duidelijk.

6 Eindfase verpakking

wur food biobased duurzame verpakkingen: 6 eindfaseZodra een product is geconsumeerd, verliest het verpakkingsmateriaal haar oorspronkelijke doel. Een goede eindbestemming van het overbodig geworden verpakkingsmateriaal beïnvloedt de duurzaamheid van de verpakking in sterke mate. Bovendien zien overheden streng toe op deze levensfase van verpakkingsmaterialen. Wageningen Food & Biobased Research neemt afvalverwerkingsopties en hergebruiksopties daarom mee in haar onderzoek naar en ontwikkeling van verpakkingsmaterialen.

De gehele productieketen

wur food biobased duurzame verpakkingen: 8 productieketenEen verpakking moet er allereerst aantrekkelijk uitzien, maar een product ook beschermen en/ of perfect recyclebaar zijn. Gedurende de hele gebruikscyclus moet de verpakking zo goed mogelijk functioneren. Wageningen UR Food & Biobased Research kent de eisen die de keten stelt en onderzoekt hoe een optimale verpakking de totale ketenprestatie verbetert.

Verschillende stappen in de keten stellen andere, soms conflicterende eisen aan verpakkingen. Een verpakking moet producten bundelen en beschermen, moet logistiek goed ingebed kunnen worden en de marketing van het product ondersteunen. We maken zorgvuldige afwegingen op basis van deze wensen en eisen. We adviseren opdrachtgevers op basis hiervan over de vraag welke oplossing de beste ketenprestatie oplevert.

Duurzaamheid

wur food biobased duurzame verpakkingen: 7 duurzaamheidDuurzaamheid is een ingewikkelde term. Het kan zowel gaan over de milieubelasting als over de sociale of economische aspecten van een product of productieproces. Wageningen UR doet onderzoek naar al deze aspecten, Food & Biobased Research richt zich specifiek op onderzoek naar milieubelasting en kosteneffectiviteit.

In alle fases van de levenscyclus kunnen verpakkingen de milieubelasting van verpakte producten verlagen: tijdens de productiefase en transport, het gebruik van de verpakking en de afvalfase van de verpakking. Wageningen UR Food & Biobased Research ontwikkelt en onderzoekt duurzame verpakkingsopties in de afzonderlijke fases, en in de levenscyclus als geheel.

De afzonderlijke webteksten zijn integraal te lezen op de website van Wageningen UR Food & Biobased Research. Dat kan door op de screenshots te klikken, of door alle teksten te bekijken op de website van:

Wageningen-UR-logo

 

Jan Buisman: ‘Ik vind het weer interessant, maar de gevolgen nog veel meer’

Zijn vroegste jeugdherinnering dateert van de strenge winter van 1929. Als vierjarige kon hij op de Lek lopen, waar normaal de gierpont heen en weer voer. Jarenlang mat Jan Buisman driemaal daags temperatuur, luchtdruk, windrichting en hoeveelheid neerslag. Na meer dan tien* jaar spitten in archieven verschijnt nu zijn boekenreeks Duizend jaar weer, wind en water in de Lage Landen. Meteorologen, geschiedkundigen en zelfs cultuurhistorici kunnen profiteren van zijn minutieuze archiefarbeid.

tekst René Rector, Sciencestories.nl

De woning van Jan Buisman is, in zijn eigen woorden, ‘een chaos’. Zijn werkkamer is een verzameling van stapels papier en boekenkasten, waaruit tijdens het interview het ene na het andere boek tevoorschijn komt. Oorzaak van de chaos is een recente verhuizing. Buisman (77) woonde precies twee deuren verder, op de elfde verdieping van een torenflat in ’s-Gravenhage. “Maar die keek uit op het noorden. Dan zie je niks. Bij iedere depressie moest ik vanaf het balkon om een hoekje gluren. Hier zie ik Den Haag, in de verte Rotterdam. Het spoor, de A12. En je kunt hier ook prachtig het weer bestuderen. Alle fronten uit het zuidwesten kan ik zien. Het is net theater.”

Actieve zee

Buisman werkt al tien jaar aan wat uiteindelijk de zevendelige reeks ‘Duizend jaar weer, wind en water in de Lage Landen’ moet worden; een kroniek waarvan nu de eerste vier delen af zijn. Een historisch overzicht van het weer is geen novum. Cruquius begon in 1706 met instrumentele waarnemingen. Zijn reeks werd later voortgezet in Zwanenburg en nog later door het KNMI. Vóór deze datum is het lastig kwantitatieve gegevens over het weer te vergaren. “Meteorologen zijn in het verleden ook wel in de historie gedoken, maar zij vergaten bronnenkritiek toe te passen. Zo wordt de negende eeuw nogal eens afgeschilderd als een tijd met een zeer actieve zee. Zeker tien stormvloeden zouden er hebben plaatsgevonden. Als je in literatuur uit de negentiende eeuw gaat zoeken, vind je nog maar acht van die stormvloeden terug, en in geschriften uit de vijftiende eeuw nog maar vijf. Hoe verder je teruggaat, hoe minder stormvloeden er overblijven, tot ze alle terug te voeren blijken op slechts één: 838. Wèg is je ‘actieve zee’, hoewel daar in het verleden de inmiddels achterhaalde theorie over transgressiefasen op gebaseerd was. Gewoon: een stormvloed.” Vaak blijkt een foutieve overname de oorzaak van de vermenigvuldiging van gegevens. Het cijfer 8 wordt in het Romeinse getallenstelsel aangegeven met VIII. Valt de V onduidelijk uit, dan krijg je een X, zodat van 8 13 wordt gemaakt.

Jan Buisman…

… is geïntrigeerd door het ‘stormglas’, een gesloten reageerbuis met een mengsel van alcohol, aquadest, kaliumnitraat, ammoniumchloride en kamfer. De kristallen die het vormt zouden een kundig lezer iets zeggen over het weer. “Niemand weet hoe het werkt. Temperatuur is niet de oorzakelijke factor. Misschien luchtdruk, waarschijnlijk straling. Het zou een aardig onderwerp zijn voor een chemicus om dat eens uit te zoeken.”

Voeg daarbij dat het een tijd gebruikelijk is geweest dat het jaartal versprong met Kerstmis, of met Pasen en dat niet alle delen van de Lage Landen op hetzelfde moment van de Juliaanse op de Gregoriaanse stijl overstapten. De kans op onjuiste berichtgeving wordt dan levensgroot. Met name de bronnen uit Groot Brittannië scheppen veel verwarring omdat dit land qua telling pas in de achttiende eeuw in de pas ging lopen met het continent. De strenge Britse winter van 1683 is precies dezelfde als die van 1684 in Nederland. Hierdoor lijkt het vaak of koude of zachte winters altijd in paren voorkwamen. “Onzin”, stelt Buisman resoluut. “Weer heeft geen geheugen!”

Stormvloeden

Historische overzichten daarentegen ontbreken het vaak aan weerkundig inzicht, vindt Buisman. “Een ‘strenge winter’ is gedefinieerd, net als een ‘stormvloed’. Maar een ‘strenge winter’ in de veertiende eeuw, werd daar toen hetzelfde mee bedoeld als het KNMI het nu definieert?” Stormvloeden, als indicator voor klimaatverandering, zijn al helemaal twijfelachtig. Op zich is het zo dat, als het wereldwijd warmer wordt, de poolkappen afsmelten waardoor de zeespiegel stijgt. Daar zijn in het verleden niet veel metingen naar verricht, maar uitgaande van die theorie mag je verwachten dat het aantal stormvloeden zal toenemen als het warmer wordt. Van de stormvloeden vóór 1700 is meestal slechts bekend dat land overspoeld wordt door water. Het oorzakelijk verband tussen overstroomd land en zeeniveau gaat mank, vindt Buisman, die zich erover verheugt zulke misverstanden te kunnen ophelderen: “Als je conclusies wilt trekken uit het aantal stormvloeden over bijvoorbeeld de stijging van de zeespiegel, dan ontstaan er twee problemen. Allereerst werden dijken en waterkeringen niet altijd even goed onderhouden. In tijden van oorlog werden veel staatsuitgaven aan de strijd besteed en verwaarloosde men de dijken. Je bent dus niet het zeeniveau aan het meten, maar het welvaartsniveau. Vervolgens is een stormvloed nu omschreven als een overschrijding van het grenspeil, dat weer gedefinieerd is als het niveau, dat gemiddeld eens in de twee jaar wordt bereikt. Zo heb je dus gemiddeld elke twee jaar een stormvloed. Neemt de frequentie toe, dan wordt het baken verzet. Het grenspeil wordt met het zeeniveau mee verhoogd. Dus wat meet je dàn?”

Jan Buisman…

… zou ‘doodgaan’ als hij moest ruilen met zijn onderburen op de begane grond. “Die kijken uit op de blinde muur van een Chinees restaurant. Geef mij maar overzicht. Hoog wonen is prachtig; je kunt alle weer zien aankomen.”

Toen in de jaren tachtig de vraag belangrijk werd of het klimaat aan het veranderen was, bestond in De Bilt behoefte aan kwantitatieve data omtrent het weer, ook van voor 1706. Buisman had begin jaren tachtig een boek geschreven met als titel: ‘Bar en boos – zeven eeuwen winterweer in de Lage Landen’. Als weeramateur en historicus werd hij naar aanleiding van dit boek door het KNMI gevraagd om de kroniek te schrijven: een boek dat een overzicht zou geven over àlle weersomstandigheden. “Ik ging toen net met pensioen. Ik was geïnteresseerd; ik was van de straat. Wel vond ik, dat het meer moest zijn dan een dorre wetenschappelijke rapportage. Het moest leesbaar worden. Zo ijdel ben ik wel: ik wil gelezen worden.”

Strenge winter

Het weer heeft iets speciaals voor Buisman. Een van zijn vroegste jeugdherinneringen is die aan de dichtgevroren Lek. Het was een strenge winter, in 1929. De pontwachter had met zand een pad over het ijs aangelegd. Kleine Jantje Buisman keek er, staande op de dijk in Culemborg, vlak bij zijn ouderlijk huis, met grote ogen van verbazing naar… dat je kon lopen waar normaal de gierpont heen en weer ging. Het weer liet Buisman niet meer los, zeker niet toen zijn ouders een jaar later naar Borculo verhuisden. Borculo, dat was het ‘wereldberoemde’ stadje met de nieuwe daken, sinds de oude in 1925 door een windhoos waren vernield.

Jan Buisman…

… hoopt nog altijd op eerherstel voor de Twaalfstedentocht. Deze Noord-Hollandse schaatstoer werd in 1676 verreden via de route Haarlem, Amsterdam, Weesp, Naarden, Muiden, Monnickendam, Edam, Purmerend, Hoorn, Enkhuizen, Medemblik, Alkmaar, Haarlem. “Het zou een geweldig evenement kunnen zijn, ouder dan de Elfstedentocht. Ja, het is wel een gedoe natuurlijk, om het te organiseren. Maar het zou ook een geweldige trekker zijn voor Noord-Holland. Het MKB zou het moeten oppakken, zeker met de ledenstop in Friesland.”

De belangstelling voor het weer nam in 1938 grote vormen aan. Een dik pak sneeuw veroorzaakte een “prachtige witte kerst, zoals het gedefinieerd is: ‘Een sneeuwdek in De Bilt op beide dagen’.” Buisman nam zich, dertien jaar oud, voor om driemaal daags temperatuur, luchtdruk, windrichting en aard en hoeveelheid van neerslag te meten. De witte kerst, en de lage frequentie waarmee die zich voordeed, inspireerde hem tot een meetreeks, die hij tot in 1952 volhield. “In de oorlog was dat wel lastig. Ik zwierf door Nederland en Duitsland, nadat ik tweemaal aan een razzia was ontsnapt.”

Observator

De oorlogsjaren maakten van Buisman een kundig weeramateur. Weerberichten waren toentertijd verboden, want die waren militaire informatie, dus stelde Buisman voor de mensen in zijn omgeving zelf een weerbericht op. Aan de aard, richting, vorm en omvang van wolken kun je veel aflezen over het weer voor de komende dagen. “Ik ben een observator. Ik wilde graag door middel van observeren begrijpen hoe ik bepaalde signalen moest interpreteren. Dat is weersverwachting.” In 1961 schreef hij ‘Weer of geen weer’, een boek met ongeveer duizend regels om zelf een verwachting op te stellen.

Een studie meteorologie zou voor de hand liggen, voor iemand die zo in het weer geïnteresseerd is. “Dat ging niet. Mijn bètavakken waren te zwak. Al die natuurkunde… Ik vind het ook niet leuk. Ik vind stormweer prachtig, maar het interesseert me niet erg hoe het ontstaat. Mijn aandacht gaat meer uit naar de gevolgen, zoals stormvloeden.” Vanuit die insteek begon hij in 1980, na enkele koude winters, aan zijn verzameling over winterweer, waardoor hij later aan ‘Duizend jaar weer, wind en water…’ zou werken. De voorliefde voor de gevolgen doet zijn weerchronologie ook veel meer tijd in beslag nemen dan aanvankelijk gedacht. “Er gaat heel veel tijd zitten in het uitzoeken van historische gegevens. Wind is essentieel bij zeeslagen, bijvoorbeeld omdat je aan de bovenwindse –loef– kant het minst kwetsbaar bent. De slag bij Solebay in juni 1672, waarbij De Ruyter won, of de Tweedaagse Zeeslag in augustus 1666 bij Duinkerken, waarbij hij verloor, zijn niet te begrijpen zonder te weten dat hij in Solebay gunstig voor de wind lag, en collega Tromp bij Duinkerken niet bij het slagveld kon komen door gebrek aan wind. Deze zeeslagen zijn van groot belang geweest voor onze geschiedenis.”

Jan Buisman…

… mag graag luisteren naar klassieke muziek; Mozart, Verdi, Händel. Ook volksmuziek uit Griekenland en de Balkan streelt zijn oor. De hele dag muziek op is echter een gruwel: “Stilte is ook mooi.”

Voor de meteorologie is het werk van Buisman van grote waarde. Elke winter kwantificeert hij naar huidige maatstaven, daarbij zoveel mogelijk bronnen raadplegend. Kwantificering is onvermijdelijk een interpretatie, maar Buisman probeert zich niet voor een gat te laten vangen. Een week vorst in november kan de graanoogst van het erop volgende jaar doen mislukken, en is in de beleving van wie erbij was ‘een zeer strenge winter,’ terwijl de rest van de winter misschien kwakkelde. Om die reden kijkt Buisman ook naar bijvoorbeeld rekeningen van de trekvaart. Het maakt verschil als die wegens ‘besloten water’ een week buiten dienst was of twee maanden. “Het mooiste vind ik als twee bronnen elkaar tegenspreken. Zo staat er in het vierde deel van de reeks een fout: op 5 september 1665 zou de kerktoren van Valkenburg (bij Leiden) zijn afgebrand na een blikseminslag. Nu stuitte ik onlangs op een brief van een tijdgenoot, een advocaat, die beschreef hoe zich ten tijde van Sint Nicolaas een zware storm had gewoed. En passant merkte hij op dat in Valkenburg op 5 december de bliksem in de kerktoren was ingeslagen. Eén van die bronnen moet zich vergissen. Toen ik het nakeek, bleek mijn eerdere bron onbetrouwbaar.”

ºFlor

De komende delen gaan over de achttiende, negentiende en twintigste eeuw. Voor deel 5 blijft het oppassen. Er is toen een begin gemaakt met het meten van temperatuur, maar aanvankelijk zijn er tientallen schaalverdelingen gebruikt. Uit gegevens is niet altijd duidelijk of in Celsius, Fahrenheit of Réaumur is gemeten. De eer voor de oudst bekende temperatuurmetingen valt overigens geen van deze schalen te beurt. “In 1667 reisde Cosimo de Medici, prins van Toscane, door de Lage Landen. In zijn dagboek staan verschillende waarden genoteerd: 13 °Flor op 21 december bijvoorbeeld, 12 °Flor op de drieëntwintigste. In de negentiende eeuw heeft men bij het opruimen van een kelder in Florence een kist gevonden, die vol oude thermometers van Cosimo bleek te zitten. Ze waren geijkt en verrassend goed bewaard. Daardoor weten we nu dat het op 21 december -0,8 °C was, en twee dagen later -2,1 °C. Het is de oudst bekende meetreeks. Dat soort vondsten vind ik spannend.”

CV

Drs. J. Buisman (1925), geboren in Culemborg en getogen in Borculo, was na zijn opleiding aan de Christelijke Kweekschool in Den Haag verscheidene jaren onderwijzer. Hij studeerde op latere leeftijd in Amsterdam aanvankelijk sociale geografie (“Maar dat was veel te vaag”) en daarna historische geografie (doctoraal 1968) en werkte 28 jaar als leraar aan het St.-Janscollege (thans Hofstadcollege) in Den Haag. Hij schreef twintig boeken, waaronder ‘Weer of geen weer?’, ‘Nederland zoals het was, zoals het is’ en ‘Bar en boos, zeven eeuwen winterweer in de Lage Landen.’

* Dit verhaal verscheen in 2002 in N&T wetenschapsmagazine, een voorloper van de Nederlandse

NewScientist

Buisman schrijft nog steeds aan zijn encyclopedie van het Nederlandse weer. In 2015 verscheen het zesde deel.

De suikerbiet kan meer

Suikerbieten zijn waardevolle natuurfabriekjes. De industrie kan er veel meer uit halen dan alleen suiker. In Wageningen proberen ze van de bietenpulp grondstoffen te maken voor verdikkingsmiddelen en limonadeflessen. ‘Dat leidt tot vergroening van de chemische industrie en een betere prijs voor de boer.’

tekst René Rector, Sciencestories.nl

6,3 miljoen ton; dat wordt er jaarlijks in Nederland geteeld aan suikerbieten. Het bestanddeel van die bieten dat de meeste winst oplevert is suiker. Maar als het aan Wageningen UR Food & Biobased Research en Royal Cosun, moederbedrijf van Suiker Unie ligt, gaan ook andere componenten uit de suikerbiet een hogere bijdrage leveren aan de winst. Gedacht wordt aan bijvoorbeeld cellulose en galacturonzuur.

Suikerbieten zijn extreem bruikbaar. Van het gewas blijft op het land alleen het loof achter tijdens de oogst. Tachtig procent van de biomassa bevindt zich ondergronds, in de biet, en die massa wordt compleet verwerkt tot suiker, melassestroop, meststof en veevoer. Ook wordt er ‘groen gas’ gemaakt van de reststromen, wat in het aardgasnet wordt geïnjecteerd. Zo bezien, past de bietverwerkende industrie uitstekend binnen het Wageningen UR-investeringsthema Resource Use Efficiency, efficiënt omgaan met hulpbronnen.

Hoge opbrengst

Maar het potentieel van de suikerbiet is veel groter. En dat wordt nog niet ten volle benut. ‘Dat is jammer,’ vindt Jacco van Haveren, programmamanager biobased chemicals Food & Biobased Research. ‘Nederland, en eigenlijk heel Noordwest-Europa, leent zich uitstekend voor de teelt van suikerbieten. Er is geen ander gewas dat je hier kunt telen dat zo’n hoge opbrengst per hectare heeft in droge stof.’

De suikerbiet laat met 25 ton droge stof per hectare andere gewassen als de voederbiet of maïs met gemak achter zich. Voeg daarbij dat in 2017 het door de Europese commissie opgelegde suikerproductiequotum vervalt, waardoor het Nederlandse areaal naar verwachting met 14 procent stijgt, en de suikerbiet wordt een extra interessant gewas om optimaal te benutten.

Daarvoor onderzoekt Wageningen UR Food & Biobased Research samen met een consortium van bedrijven – met Cosun als coördinator – of er niet meer waarde uit de biet te halen is dan met de huidige toepassingen. Het meest recente project is Pulp2Value, dat in juli dit jaar van start ging. Daarin wordt onderzocht, met zes miljoen subsidie van het Europese Biobased Industries Consortium, of door bioraffinage van pulp de opbrengst te vergroten valt.

Wat Jacco van Haveren samen met Cosun aan nieuwe stoffen uit de suikerbieten wil halen, is te lezen in het hele verhaal, dat gepubliceerd werd in Wageningen World, het corporate magazine van:

Wageningen-UR-logo