Categoriearchief: Maatschappij

Liesbeth Zegveld: ‘Juist in oorlogen kraakt het recht vaak in zijn voegen’

Hoogleraar War Reparations Liesbeth Zegveld onderzocht waarom het civiele recht oorlogsslachtoffers in de kou laat staan, terwijl in het strafrecht de impact van oorlogshandelingen op slachtoffers juist zwaarder weegt dan ooit.

tekst: René Rector, Sciencestories.nl

Liesbeth Zegveld staat bekend als een advocate van vurige pleidooien en spectaculaire rechtzaken. Zo was de Rawagede-zaak er één zonder precedent. Bij de dekolonisatieoorlog in Indonesië hadden Nederlandse militairen in het Javaanse dorp Rawagede, op zoek naar een vrijheidsstrijder, meer dan vierhonderd mannen geëxecuteerd. Nabestaanden eisten een schadevergoeding, de staat beriep zich op verjaring aangezien het bloedbad in 1947 had plaatsgevonden. De rechtbank veegde het verjaringsargument van tafel omdat wat daar gebeurde zo uitzonderlijk was.

Molukse treinkaping

In de zaak rond de Molukse treinkaping in 1977 nam Zegveld het op voor de nabestaanden van de kapers. Hier was sprake van executie geweest, betoogde ze, omdat toen de trein door mariniers bestormd werd na negentien dagen gijzeling, de kapers geen gewapende weerstand meer boden. Eerder dit jaar werd dat ook bevestigd door minister Ard van der Steur van Veiligheid en Justitie.
Namens de nabestaanden van Srebrenica (1995) spande Zegveld een zaak tegen de Nederlandse staat aan. De Nederlandse blauwhelmen hadden de moslimmannen, die toevlucht hadden gezocht tot de compound, zonder pardon overgedragen aan de Serviërs. Ze kreeg gelijk, al zag het Openbaar Ministerie wel af van vervolging van de legerleiding.

War reparations

Moreel gezien trok Zegveld in deze drie zaken aan het langste eind. Maar soepel ging de schadeloosstelling van oorlogsslachtoffers of hun nabestaanden niet. Dat is vreemd, concludeerde Zegveld na bestudering van jurisprudentie en internationale verdragen. Als hoogleraar War reparations wil ze bestuderen of en zo ja hoe de rechtspositie van oorlogsslachtoffers fundamenteel anders kan.

Wat is er mis met de rechtspositie van oorlogsslachtoffers?

“Een probleem is, dat het vaak lang duurt voor er helderheid komt over oorlogshandelingen. De misstanden onder het Argentijnse regime, de dekolonisatieoorlog tussen Nederland en Indonesië, Srebrenica… vaak wordt pas decennia later in een “de-onderste-steen-moet-boven-komen’-onderzoek duidelijk wie er wat precies fout gedaan heeft. Ook lastig is, dat oorlogsmisdadigers, wetend wat hen boven het hoofd hangt, spoorloos kunnen verdwijnen.”

Om die reden verjaren oorlogsmisdrijven niet.

“Nee. Althans, niet onder het internationaal recht. Vandaar ook, dat de Nederlandse zakenman Frans van Anraat in 2007 kon worden veroordeeld. Hij had een wezenlijke bijdrage had geleverd aan de gifgasaanval op Halabja, een Koerdische stad in het Noorden van Irak. Die aanval was twintig jaar eerder. Maar toen de slachtoffers van die aanval de schade op hem wilden verhalen, bleek de zaak verjaard. Dat kwam omdat een vordering onder het civiele recht wèl verjaart. Het merkwaardige is, dat als je kijkt naar oorlogsmisdrijven, het belangrijkste argument om verjaring af te schaffen destijds was, dat de impact van oorlogsmisdrijven op slachtoffers zo groot was. Maar zodra die slachtoffers verhaal willen halen, krijgen ze de deksel op hun neus.”

Lees het interview in Spui, alumnimagazine van de:

UvA

CSI The Hague: HHs speurt mee op hoog niveau

Op televisie hebben we het allemaal al een keer gezien: hightech snufjes die misdaden moeten helpen oplossen. Het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) probeert met tien andere partners, waaronder De Haagse Hogeschool, de fancy onderzoeksmethoden werkelijkheid te laten worden.

tekst: René Rector

Half oktober werd Amanda Knox in hoger beroep vrijgesproken. De Amerikaanse uitwisselingsstudente werd vier jaar eerder gearresteerd op verdenking van de moord op haar huisgenote in het Italiaanse Perugia. Er was een hele berg bewijsmateriaal tegen Knox, maar daar bleef in de rechtszaal niets van over. Een belastende vingerafdruk op de beha-sluiting van het slachtoffer bleek in de beroepszaak niet meer te verifiëren, omdat het bewijsstuk inmiddels was verroest. Ook het moordwapen – een mes met bloed van het slachtoffer op het lemmet en vingerafdrukken van Knox op het heft – raakte in het ongerede. Opmerkelijk: de juryvoorzitter zei na de uitspraak dat hij niet wist of Knox het had gedaan of niet, maar dat de jury op basis van het nog bestaande bewijs niet anders kon dan vrijspreken.

Nederlands Forensisch Instituut

De rechtszaak tegen Knox benadrukt hoe belangrijk een goede verzameling van sporen op de plaats delict is. Alle sporen moeten minutieus worden vastgelegd. ‘Je wilt eigenlijk zo snel en zo veel mogelijk vastleggen, maar tot nu toe zijn de opsporingsmethoden conventioneel,’ aldus Tjark Tjin-A-Tsoi, NFI-directeur. Is er een moord gepleegd, dan transformeert een onderzoeksteam de plaats delict zo goed mogelijk tot een stapel papier: foto’s van alles (met nummertjes en linialen erbij), plaatjes van gevonden vingerafdrukken, enzovoort. In de rechtszaal moeten de aanklager en de verdediging van de verdachte dan vaak bediscussiëren of het bewijsmateriaal wel solide in elkaar steekt. Bij Knox werd het mes uiteindelijk als bewijsmateriaal uitgesloten, omdat het niet op de plaats delict gevonden was.

Het NFI startte in 2009 met een groep hightech bedrijven de ontwikkeling van een nieuwe manier van bewijsvoering. Het principe is eenvoudig: leg zoveel mogelijk van de plaats delict vast en leen daarvoor technologie uit andere expertises. Leer forensisch onderzoekers daarna hoe ze met die technieken moeten omgaan in een laboratorium.

Link CSI-The-Hague spread

Het resultaat is indrukwekkend. Zo beschikt het lab nu bijvoorbeeld over een bril, die vastlegt wat de forensisch onderzoeker die ’m draagt, ziet. Tegelijkertijd geven experts die even verderop op een scherm met de onderzoeker meekijken via een oormicrofoontje aanwijzingen aan de onderzoeker. Ook is een warmtecamera ontwikkeld die nauwkeurig kan registreren of er nog warmtesporen op de plaats delict aanwezig zijn. Heeft iemand op een stoel gezeten? De stoel blijft nog uren meetbaar warm. En ook al zo fancy: een camera die eruitziet als een gewone handycam. Het verschil is dat een gewone videocamera altijd maar drie kleuren licht registreert: blauw, groen en rood. Deze spectrocamera registreert een paar honderd tinten. De camera kan door z’n fijnzinnigheid zelfs op een rood sprei niet alleen bloedsporen ontdekken, maar ook vaststellen hoe lang het bloed er al ligt. Een andere nieuwe tool is een camera die 3D-opnamen kan maken van een plaats delict.

O.J. Simpson en bewijsmateriaal

Het lab is ingericht als een oer-Hollandse straat met dito burgerlijke huisjes. Wie er binnengaat, treft bijvoorbeeld in de woonkamer een met bloed besmeurde paspop, en na enig zoeken een mes in de slaapkamer. Buiten de huisjes kan met grote schermen een ‘straat’ worden nagebootst inclusief dienders die het verkeer regelen en toegestroomd publiek. Dat het lab er ‘net echt’ uitziet heeft twee redenen.

Ten eerste zijn al die hightech snufjes indrukwekkend, maar voor ze echt als bewijs kunnen dienen in een rechtszaal, moeten rechters en advocaten overtuigd zijn van de geldigheid van zulk bewijs. Dat is niet voor niets: in de meeste rechtsstaten geldt dat iemand onschuldig is, tenzij het tegendeel overtuigend bewezen is. Een van de eerste rechtszaken waar DNA-sporen als bewijsmateriaal dienden, was die van de moord op Nicole Brown Simpson en haar minnaar Ronald Goldman, waarbij O.J. Simpson met zijn advocaten de betrouwbaarheid van zulk bewijsmateriaal vele malen aanvocht. Niemand zit erop te wachten dat een moordenaar vrijuit gaat omdat de spectrocamera ondeugdelijk blijkt. ‘Maar het Openbaar Ministerie vraagt steeds meer naar objectief bewijs,’ stelt projectleider Andro Vos van CSI The Hague. Het lab laat zien wat er mogelijk is, maar ‘het is niet aan ons om te bepalen wat deugdelijk is,’ zegt Vos.

Simulatiesoftware

Ten tweede moeten forensisch onderzoekers leren omgaan met nieuwe technieken. Het lab is een trainingsmogelijkheid voor rechercheurs. Zo kan een rechercheteam ‘ter plaatse’ recherchewerk verrichten. Simulatiesoftware bepaalt welk misdrijf er is gepleegd en welke rekwisieten het NFI vooraf moet plaatsen. De oefening begint bij de aankomst in de virtuele ‘straat’, waarna de recherche de woning in real life kan doorzoeken. Camera’s in het lab leggen dan nauwkeurig vast waar iedereen is en welke technieken ze gebruiken. Uit die camerabeelden blijkt gauw genoeg of rechercheurs het onderzoek goed uitvoeren. Daarmee is het lab zowel een onderzoeksfaciliteit om nieuwe onderzoekstechnieken te ontwikkelen en te verfijnen, als een trainingsfaciliteit voor (nieuwe) forensisch onderzoekers.

Nieuwe CSI-technieken aanleren

Training is bij forensische onderzoekstechnieken essentieel. ‘Forensisch onderzoeker is zo’n beroep waarin je pas na een paar jaar goed wordt. Het is eigenlijk heel ambachtelijk werk,’ vertelt Herman de Bruine. ‘De beste forensisch onderzoekers zijn om die reden meestal de oude rotten in het vak: zij hebben er al heel wat oefening op zitten.’

De Bruine doceert aan de opleiding Integrale Veiligheidskunde en vormt de linking pin met De Haagse in het CSI The Hague-project. Hij doet onderzoek naar leren in organisatieculturen. Bij het introduceren van nieuwe forensische technieken zou dat nog weleens een probleem kunnen worden, want als je een nieuwe techniek introduceert, is iedereen weer beginner. En als het hightech is, hebben de jonkies het meestal sneller door dan die oude rotten. ‘De verhouding op de werkvloer verandert. Dat zie je vaak met het invoeren van nieuwe technieken. Nu denken we vaak dat als mensen problemen ondervinden bij de introductie van nieuwe werkmethoden, dat individuele problemen zijn. Dat is niet zo. Het is een probleem dat besloten ligt in de organisatiecultuur.’

Rechercheurs

In sommige organisaties bestaat van nature respect voor elkaars kwaliteiten. In andere organisaties moeten alle individuele leden voldoen aan een (hoge) standaard. In die groep verwacht De Bruine veel meer problemen wanneer zo’n groep moet omgaan met een nieuwe techniek. ‘Het was het NFI ook opgevallen als er rechercheurs komen oefenen in het CSI-lab: de ene groep heeft het als groep veel sneller onder de knie dan de andere groep. In de ene groep leren mensen van elkaar, en is er weinig schroom om hulp te vragen. In andere groepen liep dat veel stroever. Dus nu trainen we groepen tijdens het leren omgaan met nieuwe technieken, ook op de sociale aspecten die daarbij komen kijken.’

Tegelijkertijd is de training een manier om ook de betrouwbaarheid van in de veiligheidssector werkende groepen te vergroten. Hoe beter een groep in staat is met fouten om te gaan en ervan te leren, hoe betrouwbaarder zo’n groep wordt. ‘Dat is dus niet alleen een kwestie van hightech apparatuur, maar ook van een team dat er adequaat mee om weet te gaan,’ aldus De Bruine.

Dit verhaal verscheen eerder in:

Link magazine van de Haagse Hogeschool

magazine voor studenten en medewerkers van De Haagse Hogeschool

Taalwetenschap: Nog één mens spreekt Latundè

Over de hele wereld verspreid worden ongeveer zesduizend verschillende talen gebruikt. Negentig procent van die talen kent slechts een handvol sprekers. Een onderzoekster van de Vrije Universiteit Amsterdam ontdekte bij de Zuid-Amerikaanse Nambikwara-indianen zelfs een taal die nog maar door één iemand wordt begrepen. Veel andere talen sterven uit zonder dat een mens het weet.

tekst: René Rector, Sciencestories.nl

Hoogleraar Franse taalkunde Leo Wetzels liep op een congres in Brazilië een vakgenoot tegen het lijf die hem vertelde over de schrijnende situatie waarin indianen verkeren: vaak noodgedwongen geven ze hun bestaan in het regenwoud op en trekken ze naar de grote stad. Daar wacht hen de onderkant van de maatschappij. Ze hebben geen opleiding genoten waar ze daar iets aan hebben. Hun kennis over het regenwoud is vaak groot, maar die kennis is in Brasiliá van geen waarde.

Oertaal
Het woord voor ara laat zien hoe de reconstructie van taal-evolutie in z’n werk gaat. Je begint bij de huidige talen (onderste rij) en kijkt naar overeenkomsten. Op basis daarvan stel je vast welke talen korter (middelste rij) of langer geleden van elkaar zijn gegroeid.

Wetzels raakte gefascineerd door de vele talen die in het regenwoud worden gesproken. Hij deed onderzoek naar verschillende bedreigde talen binnen de familie van Nambikwara-talen. Op basis van huidige overeenkomsten probeert hij vast te stellen hoe de talen ergens in het verleden van elkaar afgesplitst zijn om zo iets te leren over hoe talen veranderen en evolueren.

Lesmateriaal

Tegelijkertijd stimuleert Wetzels het behoud van de Nambikwara-talen. Zo ontwikkelt hij samen met zijn team boeken en lesmateriaal in het Nabikwara. Daarmee gaat hij wellicht het uitsterven van taalvariatie tegen. Een van zijn medewerkers stuitte tijdens haar onderzoek bij toeval op een taal met een wel heel beperkt aantal sprekers: één. De promovendus deed onderzoek naar Latundê, een taal die behoort tot de groep van Nambikwaratalen. Ze ontmoette Terezinha, een vrouw die vroeger Lakondê had geleerd, maar die taal nooit meer sprak, gewoon omdat ze niemand kende die die ook machtig was.

Met behulp van zelf ontwikkeld lesmateriaal leren Amazoneindianen hun eigen taal.
Met behulp van zelf ontwikkeld lesmateriaal leren Amazoneindianen hun eigen taal.

Taalwetenschappers maken zich grote zorgen over het verdwijnen van talen. Met de talen verdwijnt namelijk ook de kennis die in die talen besloten ligt. Het viel Wetzels op hoeveel de indianen van hun omgeving weten. De aanwezigheid van een bepaalde vissoort in de rivier leiden ze bijvoorbeeld af uit een soort struik langs de oever. De vissen worden in de bloeiperiode van de struik aangetrokken door de bloesem die ze eten.

Wetzels: ‘De Brazilianen weten dit natuurlijk niet, ze hebben geen woord voor de struik, noch voor de bloesem noch voor de vis. Als de indianentaal verloren gaat, gaat dus ook de mogelijkheid verloren om dit via taal door te geven. En dit is maar een minuscuul fragment van de complexe kennis die deze mensen hebben opgebouwd en die in hun taal opgesloten ligt.’

Dit verhaal, dat werd voorgedragen voor de Vlaamse Noord-Zuid-prijs, verscheen in:

eos maandblad over wetenschap

Stage in Manila: ‘Omlaag tot aan Smoky Mountain’


Zelf als kind gevlucht voor het regime in Afghanistan, wilde CMV-student Thirjeet Gurwara (26) een stage buiten zijn comfort zone. Hij wilde zien hoe mensen in extreme armoede Omlaag-tot-aan-Smoky-Mountain-1overleven en drong door tot één van de allerarmste sloppenwijken ter wereld. Hij wist dat hij zou breken. De vraag was alleen: wanneer?

tekst: René Rector

Het verhaal van Thirjeet liet zich niet in achthonderd woorden vertellen. Het werden er daarom wat meer. Het verhaalt van zijn motivatie om af te reizen naar een plek waar je niet wilt zijn, de manier waarop mensen er een bestaan opbouwen en hoe ze toch ook de vreugde in hun leven vinden. Sterker nog: eigenlijk vinden de kinderen die leven op de vuilnisbelt Smoky Mountain hun leven best normaal.

Omlaag-tot-aan-Smoky-Mountain-3Het is normaal om geen stromend water te hebben. Geen douche. Weinig eten. Dan, na ongeveer een week het leven filmen van de mensen daar, is Thirjeet er getuige van hoe tussen de vuilnis een overleden kip gevonden wordt. ‘Die verbranden ze niet. Het is slachtafval, maar zij maakten er soep van.’

Nog terwijl de camera draait, als een kille registratie van wat er gebeurt, komen achter de camera de tranen… Bovenal vertelt dit multimediale verslag in vier delen over de manier waarop ervaringen in je studententijd bepalend zijn voor de jaren daarna.

Dit verhaal verscheen op de website van:

Link magazine van de Haagse Hogeschool

Gevangen in de ivoren toren

Nederland moet een nationale wetenschapsagenda gaan opzetten, met daarop de grand challenges voor de komende tien jaar. Dat staat in de wetenschapsvisie 2025, die Jet Bussemaker eind november presenteerde. Vandaag praat de vaste kamercommissie Onderwijs, Cultuur en Wetenschap met mensen uit het veld. Maar hoe realistisch is zo’n wetenschapsagenda? ‘Waarom is toch dat verlangen om die burgers erbij te betrekken?’

tekst: René Rector, Sciencestories.nl

Het is niet moeilijk om kritiek te oogsten op de Wetenschapsvisie 2025. Vraag het een succesvolle wetenschapper en hij verzucht dat er inmiddels regeldruk genoeg is. Bovendien: dat VNO-NCW en het MKB aan de onderhandelingstafel aanschuiven om die wetenschapsagenda mede te bepalen, dat is vloeken in de kerk. Vraag het eens aan een startende wetenschapper, en die merkt sarcastisch op dat er na een moeizaam carrièrepad van tijdelijke aanstellingen na tien jaar toch geen ruimte meer is op een universiteit en je als promovendus dus structureel op een dood spoor wandelt. De KNAW opende medio december een speciale discussiepagina waarop iedereen zijn grieven kon tonen. De kritiek (‘Dit is het zoveelste waanidee over de maakbare samenleving’) lag voor de hand.

Wetenschapsvisie

Die maakbare samenleving heeft echter wel meer hulp van wetenschappers nodig dan ze nu krijgt. Vindt mr. drs. Jan Staman. Hij is geen arrivé professor en ook geen ploeterende promovendus. Hij zwaait in maart na veertien jaar af als directeur van het Rathenau Instituut. Dat was één van de grotere inspiratiebronnen voor de wetenschapsvisie was: het instituut wordt liefst 28 keer aangehaald in het beleidsstuk. Vindt ook professor Frank Miedema, in het dagelijks leven decaan van de medische faculteit van de Universiteit Utrecht, en daarnaast een van de initiatiefnemers van Science in Transition. Dat is een club die vindt dat wetenschap anders en beter moet. De club bestaat pas anderhalf jaar, maar inspireerde Bussemaker eveneens rijkelijk bij het formuleren van de wetenschapsvisie.

De wetenschapsagenda als boodschappenlijstje

Het vormen van zo’n nationale wetenschapsagenda vinden beiden een goed idee, maar in de uitvoer kan het makkelijk misgaan. Miedema: ‘Het moet geen boodschappenlijstje worden, waar men vervolgens in Den Haag over kan stemmen. Het zouden eerder thema’s moeten zijn die een leidraad vormen, maar die breed genoeg zijn om op een vruchtbare manier wetenschap te bedrijven.’ Een schets van die thema’s vinden Miedema en Staman eenvoudig. Staman: ‘De grote problemen van nu natuurlijk. Iedereen kent ze wel. Klimaatverandering, en hoe daarmee om te gaan. Het voedselvraagstuk: hoe zorgen we dat er voldoende voedsel blijft voor de almaar groeiende wereldbevolking. En de vergrijzing.’ Miedema vult aan: ‘De vraag hoe we het effect van economische ongelijkheid op de volksgezondheid en op economische groei verzachten, de problemen van integratie en de multiculturele samenleving, en de optimale regulering van de financiële sector.’ Het zijn allemaal problemen die schreeuwen om een oplossing. ‘Wetenschappers kunnen die problemen niet oplossen,’ stelt Staman, ‘maar we hebben wel wetenschappelijk onderzoek nodig om die zaken het hoofd te bieden.’

Publiek debat

Per thema moet de wetenschapsagenda dan nog verder ingevuld worden, al stapt de visie wat al te makkelijk over de problemen heen die het betrekken van ‘het brede publiek’ bij het vormen van die wetenschapsagenda met zich meebrengt. Staman: ‘Waarom is toch dat verlangen om die burgers erbij te betrekken? Je kunt niet gaan vragen: wilt u een miljoen aan kankeronderzoek besteden of aan klimaatverandering? Daar komt geen zinnig antwoord op. Het is aan de politiek om dat soort keuzes te maken.’

Staman weet waarover hij praat. Het Rathenau Instituut inventariseert problemen en hobbels bij nieuw opkomende technologieën, en daarbij onderzoekt het instituut regelmatig burgerperspectieven. ‘Maar we vragen altijd: “hoe lossen we het op?”, nooit “wat moeten we oplossen?” Lukraak mensen gaan vragen, leidt ook tot niets. Ze komen wel hoor, zeker als je hun reiskosten vergoedt. Maar zo’n discussie levert niets op, als er geen heikel punt is. Als er iets op het spel staat, of de risico’s zijn groot genoeg, dan ontstaat de betrokkenheid vanzelf. Toen Shell bij wijze van proef kooldioxide wilde opslaan in een oud aardgasveld onder Barendrecht, hoefde de overheid de bewoners daar echt niet uit te nodigen. Ze stonden in de rij, want het ging om hún leefomgeving.’

Nanotechnologie

Door de overheid geïnitieerde debatten over wetenschappelijke thema’s lukken niet zomaar. Drie jaar geleden organiseerde de overheid bijvoorbeeld een nationaal debat over nanotechnologie, met idee om burgers meer te betrekken bij de nanotechnologische wetenschapsagenda. Uiteindelijk kwamen “de burgers” met het advies: ‘Gaat u vooral verder, want nanotechnologie kan tot mooie dingen leiden. Maar pas wel op, want er zijn ook risico’s.’ Dat is geen hemelbestormend inzicht. Dr. Lotte Krabbenborg, die in 2013 promoveerde op een analyse van dat debat, concludeert in haar proefschrift: ‘De grootste problemen bij dat debat waren dat aan de ene kant dat nanotechnologie net als iedere andere nieuwe technologie wel beloftes doet over wat er allemaal mee kan, terwijl het nog helemaal niet duidelijk is of die beloftes waargemaakt gaan worden. Dat kan ook niet, trouwens. Aan de andere kant was de evaluatiecommissie eigenlijk hoofdzakelijk geïnteresseerd in de zichtbaarheid van het debat en de opkomst, en niet in wat die debatten inhoudelijk zouden opleveren. In dat opzicht schoot het debat tekort.’ Jan Staman vindt het nanodebat een goed voorbeeld van hoe het niet moet. ‘Wij hebben er toen niet aan willen meedoen. Er zou niets uitkomen, omdat het niet duidelijk was wat het debat moest opleveren.’

Vleesindustrie

Wil een nationale wetenschapsagenda aansluiten bij de behoeftes van de maatschappij, dan is het echter wel nodig om de discussie breder te trekken dan alleen tussen beleidsmakers en wetenschappers. Dat kàn ook wel. Staman: ‘Neem nu de veeteelt. Daar hebben ze tien jaar geleden tegen elkaar gezegd: “Jongens, als we niet een paar prangende problemen slechten, is er straks geen draagvlak meer voor de vleesindustrie en dan kunnen we de tent wel sluiten. Wageningen zat toen aan de vergadertafel, maar ook de brancheorganisatie en de boeren. Er was geen competitie… er moest een klus geklaard worden. Er moest meer aandacht komen voor dierenwelzijn, alleen wist niemand precies wat een varken of een kip eigenlijk prettig vond. Dus startten de ethologen met fundamenteel wetenschappelijk onderzoek naar diergedrag. Toen kwamen de designmensen, die de behoeften van die dieren gingen vertalen in huisvesting. Toen kwamen de bouwers. En nu hebben we in Nederland geen legbatterijen meer, en kijkt de EU met grote belangstelling wat we hier aan het realiseren zijn.’

Miedema komt uit een sector waar burgerparticipatie ook goed slaagt: de gezondheid. Belanghebbende burgers hebben zich daar vaak goed georganiseerd in patiëntenorganisaties. ‘Er zijn hier al heel veel voorbeelden van en de gezondsheidsfondsen zoals KWF en Hartstichting stellen hun onderzoeksagenda’s op na raadpleging van hun achterban.’

Fundamentele kennis

Ook voor de andere grote vragen zijn er volgens Miedema belanghebbenden te vinden om onderzoeksagenda’s mee samen te stellen. ‘Wetenschappers kunnen zelf nagaan waar hun publieken zijn en ze opzoeken. Ze moeten contact zoeken met overheden, bedrijven, patiëntenorganisaties, buurtverenigingen, scholen, enzovoorts. Omgekeerd kunnen die belanghebbenden natuurlijk ook op zoek gaan naar wetenschappers.’ Miedema ziet dat wel gebeuren, en is niet bang dat het daardoor gedaan is met fundamenteel wetenschappelijk onderzoek. ‘Ook bij het onderzoeken van een heel concrete vraag stuit je op lacunes in je fundamentele kennis. Maar omdat je dat fundamentele onderzoek gaat doen aan de hand van een concrete vraag, versterkt het de band tussen wetenschap en maatschappij. Uit onderzoek blijkt ook dat dit de relevantie van wetenschappelijk onderzoek vergroot.’

Ondergrondse opslag van CO2

Volgens Staman doen beleidsmakers die burgers graag willen betrekken bij een wetenschapsagenda, er verstandig aan die burgers serieus te nemen. Leidt het gebrek daaraan bij nanotechnologie nog op z’n best tot onverschilligheid, het kan ook zomaar averechts werken. De aanvliegroute van de ondergrondse opslag van kooldioxide in Barendrecht is volgens Staman een prachtige blueprint for disaster. ‘Je kunt wetenschappers wel laten beweren dat er absoluut geen gevaar schuilt in het in de grond pompen van kooldioxide en dat je daarom zo’n dichtbevolkt gebied in Zuid-Holland wel kunt gebruiken als proeftuin. Maar de eerste die bij dat soort beweringen opstaat en het tegendeel beweert, is een vakgenoot. En dan is het vertrouwen weg.’ Dat gebeurde hier ook, en ineens had die ondergrondse CO2-opslag een naar luchtje. Toenmalig minister Verhagen zag er uiteindelijk vanaf. Wat er plaatsvond, was geen open debat met burgers over een nieuwe technologie, maar een soort schwalbe waarin de beleidsmakers probeerden een beslissing te forceren door te wapperen met een wetenschappelijk onderzoeksrapport. ‘Daarmee geef je wetenschap eigenlijk het laatste oordeel. Dat werkt niet, omdat je het wetenschappelijk onderzoek inzet als spreekbuis voor jezelf.’

Technocratisch

Het onderliggende probleem is volgens Staman dat er in het openbaar bestuur nog steeds technocratisch gedacht wordt: de uitdagingen in de samenleving kunnen met behulp van analyse becijferd worden, en de oplossing komt dan van wetenschap en technologie. In de praktijk blijkt ‘kennis op bestelling’ niet, zo waarschuwen tal van wetenschappers in reactie op de wetenschapsvisie. Wetenschappelijk onderzoek verloopt nu eenmaal grillig, omdat je op voorhand nu eenmaal niet weet wat de resultaten zullen zijn. Soms is het een spectaculaire doorbraak. Soms vind je niets.

Prestatiemoraal

Weg dus, met die wetenschapsagenda? Nee, vinden Staman en Miedema. Ook zonder wetenschapsvisie is er namelijk iets aan de hand met wetenschap, en die hobbel kan nog weleens lastiger te nemen zijn dan het organiseren van een zinnig publiek debat. ‘De wetenschap is de afgelopen twintig jaar steeds meer met zichzelf in verlegenheid gebracht,’ stelt Staman. ‘Wetenschappers lijden aan een prestatiemoraal die steeds meer begint te knellen.’ Ze laten zich leiden door de vraag of ze hun onderzoek kunnen publiceren in gerenommeerde wetenschappelijke tijdschriften en niet door de vraag of het ergens nuttig voor is. Miedema: ‘Science in transition vindt dat dat de kwaliteit van onderzoek ondergraaft. Maar wetenschappers zijn economisch afhankelijk geworden van publiceren.’ Geld gaat in regel naar onderzoekers die goed onderzoek doen. Maar wat is goed onderzoek? Miedema: ‘Aantallen publicaties en impactfactoren blijven voor veel bestuurders en subsidiegevers aantrekkelijk vanwege de overzichtelijkheid en de meetbaarheid.’ Publiceren betekent geld, en wie dat niet belangrijk vindt of er niet in slaagt zakt carrièretechnisch in de vergetelheid. Publish or perish, heet dat in de wetenschap.

Publicatiedruk

Hoe meer wetenschappers klimmen op de carrièreladder, hoe meer ze doorkrijgen dat het dáár eigenlijk om gaat. Uit onderzoek van het Rathenau Instituut blijkt dat voor 39 procent van de hoogleraren publiceren in hooggewaardeerde wetenschappelijke tijdschriften de belangrijkste drijfveer is. Voor promovendi is dat maar 25 procent. Hoe verder wetenschappers komen in hun carrière, hoe meer ze niet alleen gaan letten op hoevéél ze publiceren, maar ook op het impact van het vaktijdschrift. De behoefte om maatschappelijk relevant onderzoek te doen neemt echter langs datzelfde carrièrepad juist af: 21 procent van de promovendi ziet ‘maatschappelijk nut’ nog als belangrijkste drijfveer voor hun onderzoek, terwijl dit percentage bij hoogleraren is geslonken tot 7 procent.

Ivoren toren van publicaties

De wetenschap zit op die manier gevangen in haar eigen ivoren toren. Het is een mondiaal, zichzelf in stand houdend systeem dat niet leidt tot resultaten waar de maatschappij blij van wordt. Wetenschappers worden er evenmin blij van, maar dan omdat het gevecht om de subsidiepot, waarbij weer driftig gekeken wordt naar reputatie en publicaties elke paar jaar weer opnieuw gevoerd moet worden en handen vol tijd en energie kost. Het leidt tot onderzoek naar problemen waar je met een vier jaar durende subsidie een leuk resultaat kunt laten zien, niet tot onderzoek naar een groot, uiterst complex probleem waar je na vier jaar wellicht nog altijd met lege handen staat (en daarna ook zonder geld). Dat laatste type onderzoek is echter wel het soort onderzoek waar de maatschappij behoefte aan heeft.

San Francisco-verklaring

Wil de nationale wetenschapsagenda een kans van slagen hebben, dan moet die niet alleen burgerparticipatie vruchtbaar organiseren, wat al een monsterklus wordt, ze moet dus ook een alternatief bieden voor de huidige manier van onderzoeksfinanciering en beoordeling van onderzoekers. Miedema heeft hoop: ‘De Vereniging van Samenwerkende Nederlandse Universiteiten heeft vorige maand de San Francisco-verklaring tegen de kwantitatieve beoordeling van wetenschap ondertekend. De VSNU geeft een belangrijk symbolisch vervolg aan de discussie over wetenschappelijke kwaliteit en erkent dat maatschappelijke relevantie daarin mee moet wegen.’

Wetenschappelijke autonomie

In dat opzicht valt het plan van Bussemaker voor een nationale wetenschapsagenda in een gunstig zaaibed. De kritiek vanuit de wetenschappelijke wereld, dat zo’n wetenschapsagenda de wetenschappelijke autonomie zou verkwanselen, vindt Miedema onterecht. ‘Hierbij wordt er van uit gegaan dat wetenschap niet alleen onstuurbaar is, maar ook denkt men kennelijk dat er niet al actief gestuurd wordt. Wetenschap wordt wel degelijk gestuurd, zowel van binnenuit als van buiten door subsidiegevers, universiteiten met hun strategieën, en natuurlijk heel sterk door de kwantitatieve beoordelingscriteria. Maar het uitgangspunt van Science in Transition is de enorme maatschappelijke impact van wetenschap. De vruchten van wetenschap zijn alomtegenwoordig, van smartphones tot slimme medicijnen. Dit ‘succes’ van de wetenschap, als transformerende én ontwrichtende kracht in de samenleving, gecombineerd met de toenemende vraag om investeringen, maakt een pleidooi voor autonomie onhoudbaar.’

Clubje

Staman: ‘Het is niet zomaar een Nederlands clubje. Er is internationaal weerstand tegen het huidige systeem. De eerste barsten in het systeem zijn er al. Ik denk, dat als Nederland zou besluiten om maling te hebben aan die kwantitatieve maatstaven en we er inderdaad in slagen om wetenschappelijk onderzoek te starten dat beter aansluit bij wat we als land nodig hebben, zoals in de intensieve veehouderij gelukt is, dan kijkt ook daar de rest van Europa met argusogen naar.’

Dit verhaal schreef ik exclusief voor Sciencestories.nl. Meer lezen over wetenschapsbeleid? Zie dan bijvoorbeeld mijn verhaal over Big data, over Chinese borden of wetenschapscijfers.

Het tweede Science in Transition-symposium

‘Er wordt veel gepraat, en er liggen prachtige rapporten. Maar iedereen klampt zich angstig aan elkaar vast. Wie heeft de positie om iets te veranderen?’ vroeg Wijnand Mijnhardt van Science in Transition (SiT) aan een volle Tinbergenzaal in het Trippenhuis van de KNAW, woensdag 3 december, op het tweede Science in Transtion-symposium. Het bleef stil.

tekst: René Rector, Sciencestories.nl

Het eerste symposium, vorig jaar, was vooral agendasettend. En het openlijk ageren tegen de citatie- index-rat race waarin wetenschapsbeoefenaars elkaar al een paar decennia gevangen houden was toen een spreekwoordelijke steen in de vijver. Deze maal moest het congres een nieuwe fase in de zo vurig gewenste transitie van het wetenschapssysteem markeren.

Impactfactor

Dat deed het congres op een bepaalde manier ook wel. Karl Dittrich, voorzitter van de VSNU, nam de gelegenheid te baat om namens de Nederlandse universiteiten de San Francisco Declaration on Research Assessment te ondertekenen, een verklaring die eigenlijk een pleidooi is voor een andere waardering van wetenschappelijk onderzoek. Niet de impactfactor van een publicatiemedium, of een Hirsch-index voor de impact van een wetenschappelijke carrière, of de Shanghai-index voor de kwaliteit van een universiteit (allen kwantitatieve maatstaven) zouden de meetlat moeten vormen waarlangs wetenschapsbeoefening wordt gelegd, maar de maatschappelijke relevantie of de kwaliteit (bijvoorbeeld gemeten in mate van omvang en innovativiteit). Dittrich haastte zich wel om te zeggen dat die ondertekening vooral een symbolische waarde had.(…)

Het verslag verscheen op de website van Science in transition. Lees het daar helemaal.

Science in trantisition

Socioloog in een helikopter

Al de grote problemen van de moderne samenleving in krap tweehonderd pagina’s behandelen, en dat zonder oppervlakkig te blijven. Dat is de schier onmogelijke opgave die socioloog Johan Goudsblom zich oplegt in ‘Stof waar honger uit ontstond’.

tekst: René Rector, Sciencestories.nl

Net met emeritaat blikt Goudsblom in zijn boek terug op de sociale mens die hij gedurende zijn carrière heeft bestudeerd. Hij beschrijft in ‘Stof…’ in grote lijnen welke tendensen de geschiedenis van de mensheid hebben bepaald. Maar Goudsblom is bescheiden: ‘Ik bied geen “theorie van alles”. Natuurkundigen gebruiken die term wel eens. Ik kan me er eerlijk gezegd niets bij voorstellen.’ Tegelijkertijd zoekt hij naar verzoening in het langdurige nature-nurture-debat, maar blijft hij alles wat hij schetst in zijn boek zien in de bredere context.

Dit verhaal verscheen in:

Intermediair

 

Twisten over smaak

Wat doet u in uw vrije tijd? Waar u zin in hebt, toch? Want dat is hét moment om u volledig over te geven aan uw eigen voorkeuren. De een gaat naar de film, de ander naar theater – leve de vrije keuze. Hoewel… Zo vogelvrij is die keuze niet.

tekst: René Rector

Om met een probleem te beginnen: J.K. Rowling. Deze schrijfster schreef een manuscript over een knaapje dat naar een toverschool ging om tovenaar te worden. Saai, vonden uitgevers. “Sprookjes en toveren, daar zitten kinderen tegenwoordig toch niet meer op te wachten, mevrouw Rowling!” Een klein uitgeverijtje waagde zich er toch aan. Inmiddels is deel zes uit.

Smaak goed inschatten, daar is cultuuraanbieders veel aan gelegen. Geen uitgeverij blijft graag met voorraad zitten, een toneelstuk voor een lege zaal vernietigt carrières. Cultuur verschilt niet veel van andere vrijetijdsbesteding. Maar als het gaat om zoiets als sport, dan kijkt niemand op van de bewering dat voetbal in andere wijken en gemeenten populairder is dan tennis. Bij culturele voorkeuren blijft het bij: ‘Over smaak valt niet te twisten.’ Geen onderwerp van wetenschap dus?

Econoom Jaap Boter vindt van wel. Hij bestudeert de consumptie van plezierproducten. Zo analyseert hij theaterbezoek en het leesgedrag van bibliotheekbezoekers. Hij doet dat in opdracht van de aanbieders van die producten. Zij willen graag weten hoe ze hun klanten zo tevreden mogelijk kunnen houden. Boter analyseerde de kaartverkoop van theaters en concertzalen en uit die analyse blijkt dat de zalen niet willekeurig vol zitten. Er zijn clusters van interesses, die kunnen worden herleid op mate van complexiteit en de manier waarop voorstellingen onze zintuigen aanspreken (zie kader: Doelgericht kiezen). Dat levert voor een cultuuraanbieder bruikbare informatie op.

Doelgericht kiezen

Net als veel ander onderzoek toont de analyse van tickets van Jaap Boter aan dat er zoiets bestaat als hoge cultuur en lage cultuur. “Cultuur valt in de smaak als het aansluit bij de mate van complexiteit die iemand kan begrijpen. Moderne dans is ingewikkelder dan show; wie het een waardeert, zal het andere onbegrijpelijk of juist veel te plat vinden”, stelt Boter. “Bovendien is er een duidelijk onderscheid tussen voorstellingen die vooral het gehoor aanspreken, zoals kamermuziek, en voorstellingen die vooral een lust voor het oog zijn, zoals ballet.” Neuropsychologisch onderzoek verklaart dat: gehoor en zicht blijken niet bij iedereen op dezelfde manier geprikkeld te worden. De een vindt luisteren daarom leuker, de ander houdt meer van kijken. Het verrassende van Boters onderzoek is dat mensen op die twee variabelen zo doelgericht keuzes maken, dat dit aan de kaartverkoop valt af te lezen.

Een organisator van voorstellingen kan die kennis goed gebruiken in de marketing. Loopt een cabaretvoorstelling niet goed, dan kan hij uit het adressenbestand dus wel de clientèle aanschrijven die al eerder cabaret bezocht, en misschien ook nog de showen toneelliefhebbers. Maar de adepten van kamermuziek en concerten kan hij beter overslaan: die zijn hoogstwaarschijnlijk toch niet geïnteresseerd.

VU-Smaak-plaatje-1In de bibliotheek is onze voorkeur evenmin persoonlijk: we lezen vaak veel van hetzelfde. Er zijn clusters van literatuur, spanning (thrillers, detectives), en het romantische genre. Boter: “Het aardige is dat die laatste categorie twee duidelijk te onderscheiden stromingen heeft, met elk een eigen publiek. Je hebt het type streekroman, boeken met een dromerige vrouw in een landelijke omgeving op het omslag, vaak in aquarel, en het type Bouquetreeks, met op het omslag een gelukkig kijkende vrouw in de armen van een knappe vent. De eerste categorie is erg netjes. Het soort problemen dat aan bod komt is ook anders: familiekwesties, terwijl in de tweede categorie ook heel wereldse zaken een rol spelen.”

De resultaten van onderzoek naar smaakclusters kunnen bibliotheken gebruiken om hun schappen klantvriendelijker in te delen. Romantische lectuur wordt vaak onterecht op één noemer geschoven, terwijl er twee lezersgroepen zijn: de streekromans zijn vooral populair bij oudere dames, de Bouquet bij jongere vrouwen. Literatuur vindt aftrek bij schooljeugd en een heel kleine groep volwassenen. Thrillers worden weer door mannen én vrouwen gelezen, maar ze lezen wel andere soorten thrillers. Smaak is ook hier niet willekeurig. Traditioneel staan in de bibliotheek boeken echter gerangschikt op alfabet. “Dat is raar”, vindt Boter. “In een museum hangt Monet ook niet naast Mondriaan, omdat ze allebei met een m beginnen.”

Het gedrukte boek, met al haar genres, vindt als vrijetijdsbesteding steeds minder aftrek: spannende verhalen op papier lezen is niet meer onze smaak. Het Sociaal Cultureel Planbureau becijferde dat sinds 1975 de tijd die we lezend doorbrengen met eenderde is geslonken. “Lezen is niet cool”, oppert Dick Schram, bijzonder hoogleraar Leesbevordering. “Vraag aan jongeren waarom ze niet lezen, en dan hoor je: lezen doet afbreuk aan je imago.” Oorzaak volgens Schram: de verplichte literatuur op school (zie kader: Verplichte kost is fout).

Verplichte kost is fout

Bijzonder hoogleraar Leesbevordering Dick Schram bestudeert de vraag waaróm mensen niet lezen en ziet de verplichte literatuur als grote boosdoener. “Kijk, lezen is belangrijk. Je ontwikkelt er inlevingsvermogen mee, je krijgt een visie op ingewikkelde materie op het gebied van moraal. Het is ook nog ontspannend. Maar door lezen verplicht te stellen op school, krijgt het een negatieve bijsmaak.” Kinderen tussen tien en veertien jaar oud lezen wél. Harry Potter, Carry Slee… jonge tieners gaan op in de fantasiewereld van het boek. Daarna is de belangstelling minder. Er is dan meer dan boeken alleen: vriendjes, vriendinnetjes, jezelf ontdekken.

Het liefst ziet Schram iedereen aan de literatuur, maar lezen op zich is voor hem al een groot goed. “Je bent al snel een moraalridder. Wie ben ik nu om te vinden dat iedereen Slauerhoff moet lezen? Als je mensen aan het lezen wilt houden, kun je kinderen er beter goede herinneringen aan laten bewaren, dan dat je ze wilt laten lezen op een leeftijd dat de interesse er niet is. Zo is de kans veel groter dat ze als volwassene nog eens teruggrijpen naar een boek. Nu raken veel mensen na de verplichte kost op school nooit meer literatuur aan.”

Wel cool zijn televisie en Internet. Het deel van onze vrije tijd dat we daaraan besteden, is voortdurend gegroeid: inmiddels tot veertig procent. Voor communicatiewetenschapper Elly Konijn zijn televisie en videogames interessant. Haar onderzoek spitst zich toe op een specifiek element in deze media: geweld. Afgemeten aan het aanbod vinden we het erg leuk om naar geweld te kijken. Waarom eigenlijk?

VU-Smaak-plaatje-2Het antwoord op die vraag ligt verscholen in de relatie die we hebben met mensen die we via het beeldscherm ontmoeten. Kijk naar een film die u aanspreekt, en u gaat zich verbonden voelen met de hoofdpersoon. U kunt zich verplaatsen in wat die persoon meemaakt, u gaat op in het verdriet of de vreugde die die persoon heeft en ja, u zou in zijn plaats toch precies hetzelfde gedaan hebben? Dat is een beetje gek, als u zich bedenkt dat emoties in de film gespeelde emoties zijn. “We zijn helemaal niet uitgerust met een zintuig dat gespeelde emotie van echte emotie kan onderscheiden. Bij films laten we ons heel erg bedonderen. Je ogen bedriegen je immers niet.”

Konijn onderzoekt hoe de schijn van waarachtigheid een rol speelt bij geweld in films. Naar schatting krijgen kinderen in de eerste twaalf jaar van hun leven minstens negentigduizend geweldsacties en zesduizend moorden op televisie te zien. Volwassenen zien nog veel meer geweld op televisie. Wetenschappelijke studies hebben aangetoond dat geweld in media niet de catharsisuitlaatklep vormt, die Aristoteles al had bedacht. Volgens Aristoteles zou kijken naar geweld zuiverend werken. Niet dus. U wordt er juist gewelddadiger van. Dat is niet zo gek, omdat u meeleeft met wat er in een film gebeurt en in een videogame bént u zelfs degene die het geweld uitoefent, dus u identificeert zich altijd met de dader. “De films waarin geweld wordt gecombineerd met humor zijn het meest schadelijk. Daders worden niet gestraft, slachtoffers doen er niet toe. Er is ook altijd een rechtvaardiging van geweld. Op die manier legitimeer je geweld.” Dat geweld in films en games zo schadelijk is, komt omdat de herinnering aan een film of een game in ons hoofd op termijn minder gaat verschillen van een herinnering aan wat we echt beleefd hebben. De geweldsnorm in een film wordt daardoor onze eigen geweldsnorm. Waarom vinden we iets dat slecht is toch leuk? We blijven immers wél kijken, zo becijfert het SCP. Konijn: “Het appelleert aan gevoelens die vooral mannelijke adolescenten hebben. In die leeftijd hebben jongens uit onzekerheid een grote behoefte aan controle over hun omgeving. Als je je identificeert met daders, krijg je een afgeleid gevoel van controle. Dat voelt goed.” (zie kader: “Ach, ik ken hem toch niet”).

“Ach, ik ken hem toch niet”

Uit recent onderzoek van communicatiewetenschapper Elly Konijn en haar collega’s blijkt dat de scheidslijn tussen fictief geweld en écht geweld kan vervagen. Ze verzonnen een experiment waarbij ze vmbo-leerlingen vertelden dat ze via Internet een spel moesten spelen tegen een leerling op een andere school. De winnaar mocht daarna de verliezer straffen, door een irritant geluid in diens koptelefoon af te draaien. Volume en tijdsduur kon de winnaar zelf bepalen.

“We hadden vooraf gezegd dat het hoogste niveau gehoorbeschadigingen kon veroorzaken. Dat was niet zo, en er zat ook niemand aan de andere kant van de lijn. Het ging ons erom te kijken met wat voor straf de winnaar zou komen.” Het resultaat was in lijn met verwachtingen: zo hard en zo lang mogelijk. “Achteraf vroegen we dan waarom ze iemand anders bewust schade toebrengen. ‘Ach, ik ken hem toch niet’, of ‘Ik moet toch winnen?’ waren de reacties. Die jongens zitten uit verveling de hele dag achter computergames. Ze zijn niet anders gewend.”

 

Onze culturele vrijetijdsbesteding. Het lijkt ons eigen ding, variërend van concertzaal of romantische lectuur tot zombies schieten. Maar wat wetenschappelijk onderzoek aantoont, is dat uw smaak sterk samenhangt met welke opleiding u hebt genoten, hoe oud u bent en of u bent ingesteld op luisteren of op kijken. Dat maakt die smaak voorspelbaar en uw vrijetijdsbesteding dus ook. Wilt u er écht uw eigen ding van maken? Lees dan voor het eerst in uw leven Dostojewski of Bordewijk, of probeer als nieuwbakken gamer Quake 3 uit te spelen. Of u het waardeert, valt te bezien.

 

Kunst of de kunstenaar?

Bij de beeldende kunst zijn de redenen waarom het in de smaak valt complex. Vinden we een schilderij bijzonder omdat het ons emotioneel raakt, omdat we de kleuren fraai vinden of omdat we weten dat Claude Monet het heeft geschilderd? Veel kunst ontleent haar waarde vooral aan de handtekening die in de hoek van het doek gekrabbeld staat. Kunsthistorica Sandra Kisters doet promotieonderzoek naar een thema dat daarmee samenhangt: de grote behoefte aan kennis over het leven van de kunstenaar. “Bij de interpretatie van een werk zoek je vaak naar verklaringen in het leven van een kunstenaar. Mondriaans stijl bijvoorbeeld veranderde nadat hij naar New York was verhuisd”, zegt Kisters, “maar verbanden die er tussen leven en werk worden gelegd, gaan soms veel verder. Van Goghs expressieve schilderstijl werd door sommigen bijvoorbeeld direct aan zijn vermeende waanzin gekoppeld.” Wat Kisters wil weten, is of het alleen het publiek, kunstcritici en kunsthistorici zijn die dit soort verbanden leggen, of dat kunstenaars er zelf ook invloed op hebben. Brengen kunstenaars bewust dingen over hun leven naar buiten ten behoeve van hun imago?

Kisters bestudeert enkele gerenommeerde kunstenaars zoals Auguste Rodin, Georgia O’Keeffe en Francis Bacon. Haar bevindingen zijn tot nu toe dat kunstenaars wel degelijk de beeldvorming proberen te beïnvloeden. “Bacon had een atelier dat zich het best laat omschrijven als een puinhoop. De rest van zijn appartement was keurig netjes. Toch liet hij zich vaak in zijn atelier fotograferen of interviewen en onderstreepte zo het imago van bohemien kunstenaar.” Volgens Kisters vinden we het interessant als een kunstenaar een tragisch leven heeft geleid, of een vroege dood is gestorven. De vrijheid van de kunstenaar, het stereotype van de

bohemien, wordt eigenlijk door ons benijd. De kunstenaar is echter niet altijd gelukkig met de verbanden die er tussen leven en werk worden gelegd. O’Keeffe’s schilderijen van bloemen werden tot haar grote frustratie vanuit de vrouwelijke seksualiteit uitgelegd, terwijl zij net als de mannen wilde worden gezien. “O’Keeffe vertelde dan ook graag dat haar eerste herinnering was dat ze, acht maanden oud, werd getroffen door het mooie licht en de felle kleuren op een quilt waarop ze in de tuin lag. Ik vraag me af of je je van die leeftijd iets kunt herinneren, maar elke biograaf neemt dat verhaal klakkeloos over, want het past goed bij het mystieke waarmee we een kunstenaar graag omringen, in dit geval het idee van het aangeboren talent.” Heeft kennis van het leven van de kunstenaar invloed op onze waardering van zijn werk? Om kunst te waarderen hoeven we niet per se te weten wie de maker is, maar roem of een aangrijpend verhaal maakt het voor ons wel interessanter.

Dit verhaal verscheen in Gewoon bijzonder, magazine van:

Vrije Universiteit Amsterdam

 

Sarka Jiraskova: ‘Uiteindelijk is eenzaamheid daar je grootste vijand’

Sarka Jiraskova wilde graag een korte buitenlandstage: twee maanden onderzoek naar biologische brestrijding van een woekerende watervaren in een Senegalese rivier. Ze bleef echter meer dan een jaar weg, om pelikanen te leren achter een microlight (een deltavlieger met een motortje). Die training, van pelikanen Simpson en Karcher, leidde tot een publicatie in Nature over de energie-efficiëntie van het vliegen in formatie – een knappe prestatie voor de masterstudente.

tekst: René Rector, Sciencestories.nl

Het vliegen achter een microlight was nodig om goede filmompnamen te kunnen maken voor de film Winged Migration (of: Travelling Birds). Tegelijkertijd onderzocht het team hoe pelikanen eigenlijk vliegen. In een openhartig interview vertelde Jiraskova hoe onderzoek in een multinationaal onderzoeksteam in de tropen te werk gaat, hoe het lukte om de pelikanen te filmen en hoe de bestrijding van de watervaren volledig mislukte omdat de Senegalese regeringsvertegenwoordigers een mooie foto in de krant belangrijker vonden dan het gecontroleerd uitzetten van de snuitkevers die de waterplant moesten gaan opeten.

Dit verhaal verscheen in Natuur en Techniek, een voorloper van:

NewScientist 

Big science in Nederland

Wanneer is science Big Science? De commissie van Velzen adviseerde in 2008 toenmalig minister Ronald Plasterk over investeringen in grootschalige onderzoeksfaciliteiten, en het Rathenau Instituut zocht voor de commissie uit wanneer je iets groot kunt noemen.

Ik deed de eindredactie het onderzoeksrapport en schreef een artikel over de belangrijkste bevindingen in de Rathenau nieuwsbrief:

De vergeten grootheid van de Nederlandse wetenschap

Het Rathenau Instituut deed onderzoek naar Big Science: grootschalige, peperdure en technologisch hoogstaande onderzoeksfaciliteiten. Wat blijkt? De Nederlandse Big Science is ‘bigger’ dan gedacht.

tekst: René Rector, Sciencestories.nl

De nieuwe deeltjesversneller
bij CERN in Genève heeft een diameter van zevenentwintig kilometer en kostte zes miljard euro. Niet echt een bedrag dat een universiteit of onderzoeksinstelling in de achterzak heeft zitten. In
het CERN­project participeren daarom 580 wetenschappelijke instellingen uit twintig landen. Omdat alles er groot aan is, wordt dit soort wetenschap Big Science genoemd.

Nederland speelt graag een rol
in de Europese Big Science. De commissie­Van Velzen (zie kader) wilde daarom weten in welke faciliteiten Nederland het best zou kunnen participeren. Rathenau Instituut­onderzoekers Edwin Horlings en Anouschka Versleijen inventariseerden wat Nederland al aan Big Science in huis heeft. Edwin Horlings: “Gek genoeg was dit nooit eerder onderzocht. En dat uitzoeken lijkt gemakkelijker dan het was. Want behalve een overzicht ontbrak het namelijk ook aan criteria. Wanneer is iets groot? In de fundamentele deeltjesfysica is vijftien miljoen euro niet veel geld. Maar in de sociale wetenschappen is het een vermogen. En wie een groot laboratorium als maatstaf neemt, komt ook bedrogen uit: de gegevens van in Europees verband opgezet sociaal wetenschappelijk enquêteonderzoek staan vooral op internet.”

Horlings en Versleijen vergeleken de criteria voor grootschaligheid van de European Strategy Forum on Research Infrastructures met die van de Amerikaanse National Science Foundation. Daarna lichtten ze de Nederlandse onderzoeksfaciliteiten door en vergeleken
die resultaten met die van grootschalige faciliteiten in het buitenland. Ook legden ze hun bevindingen voor aan de wetenschappers zelf. Het resultaat is een betrouwbare lijst van 66 Nederlandse Big Science­faciliteiten. Gezamenlijk zijn ze 3,5 miljard euro waard.

Onverwacht sterk

Anouschka Versleijen: “Nederland scoort goed op fundamentele deeltjesfysica en astronomie. Dat hadden we ook verwacht: het zijn vakgebieden waarin Nederland van oudsher sterk is. Maar er waren meer sterke velden, en vaak onverwachte. Zo doet de medische sector, met bijvoorbeeld MRI­scanners of DNA­onderzoek, het goed. Deze onderzoeksfaciliteiten zijn vaak niet als compleet laboratorium neergezet, maar in de loop der jaren wel zodanig gegroeid dat ze nu absoluut het stempel ‘Big Science’ verdienen. Ze zijn in de Europese inventarisaties aan ieders aandacht ontsnapt.”

Nederland blijkt verrassend goed in ‘virtuele’ of ‘niet­zichtbare faciliteiten’. Dat zijn faciliteiten die niet op één plek staan, maar die verspreid zijn door het hele land en waarbij de gegevens worden uitgewisseld via computernetwerken. De virtuele faciliteit bestaat niet uit het computernetwerk, maar uit de dataset met gegevens. Horlings: “Denk bijvoorbeeld aan ziekenhuisarchieven met biologisch materiaal. Of aan de databanken van bloedbank Sanquin en de Koninklijke Bibliotheek. Het archief van één lab of ziekenhuis is vaak te klein voor wetenschappelijk onderzoek. Maar als je archieven aan elkaar koppelt, kun je dat materiaal goed vergelijken.”

Uniek

Juist in dat koppelen blijkt Neder­ land uniek te zijn. Hoewel ze het niet uitgebreid onderzochten, denken de onderzoekers daar wel een verklaring voor te hebben. Versleijen: ”Nederland is een klein land. Dus is het relatief eenvoudig om een systeem met een landelijke dekking te bouwen. Bovendien past het ook in het polderdenken om administratiesystemen op elkaar af te stemmen.”

Volgens Versleijen worden ‘virtuele faciliteiten’ te vaak over het hoofd gezien: “Bij Big Science denk je al snel aan een groot gebouw op een locatie. En de traditionele criteria voor grootschaligheid houden ook geen rekening met virtuele grootheid, want internettechnologie is nog jong. Maar gedistribueerde en virtuele onderzoeksfaciliteiten zijn de laatste jaren in aantal en omvang veel sterker gegroeid dan traditionele Big Science labs. Horlings: “Je ziet die verschuiving in alle wetenschappen. Als we echt vooraan willen meelopen, is dit type faciliteiten in steeds meer gebieden onmisbaar.”

Voor meer informatie kunt contact opnemen met Edwin Horlings, 070­3421516

 Rathenau-Groot-in-2008-TNDe commissie-Van Velzen en Big Science

De commissie­Van Velzen adviseert minister Ronald Plasterk (OCW) over de belangrijkste richtingen voor investeringen in grootschalige onderzoeksfaciliteiten in de komende vijf tot tien jaar.

redactie: René Rector

Grootschalige faciliteiten maken grensverleggend onderzoek mogelijk. Voorbeelden zijn radiotelescopen, onderzoeksschepen, de CERN­deeltjesversneller, maar ook biologische collecties of medische biobanken. Een Nederlands voorbeeld is de 7­Tesla MRI­scanner, onderdeel van een consortium voor klinisch en cognitief hersenonderzoek van het LUMC, UMC Utrecht en het FC Donderscentrum in Nijmegen.

Het rapport ‘Groot in 2008: Momentopname van grootschalige onderzoeksfaciliteiten in de Nederlandse wetenschap’ vindt u op www.rathenau.nl. U kunt het opvragen via info@rathenau.nl

Rathenau Instituut