Categoriearchief: ICT

‘Op de VU heb ik geleerd het grote plaatje te zien’

De Vrije Universiteit houdt graag contact met haar alumni. Op de alumnisite is in de vorm van een reeks treffende portretten te lezen waar hun alumni zoal terechtkomen. Alumnus IT audit Jatin Sehgal kijkt vanuit zijn kantoor uit… over de VU.

Het gebouw van Ernst&Young binnenkomen blijkt door wat al te ijverige beveiligingspoortjes een hele opgaaf. Eenmaal binnen ontmoet ik Jatin Sehgal. Zijn agenda is ‘loaded’, maar een uurtje vrijmaken voor de VU doet hij graag. En vol vuur: zijn ogen glimmen wanneer hij praat over ISO27001, softwarebeveiliging als groeikans en dat ene woordje, waar alles om draait: vertrouwen.

tekst René Rector, Sciencestories.nl

92 mensen op LinkedIn zeggen dat je expert bent op het gebied van ISO27001. Wat is dat? “We gebruiken internet inmiddels voor alles. We zetten er heel veel privacygevoelige gegevens op, we bankieren er, kopen er dingen. En dat doen we allemaal met het volste vertrouwen dat onze gegevens niet zomaar op straat liggen of onze bankrekening ineens leeg is. Om dat voor elkaar te krijgen, moeten bedrijven en banken veel moeite doen. ISO270001 is een norm, die voorschrijft aan welke criteria je moet voldoen om dat netjes voor elkaar te krijgen. Het Ernst&Young CertifyPoint, waar ik hoofd van ben, is een instantie die bedrijven doormeet of ze hun zaakjes op het gebied van IT-veiligheid wel op orde hebben. Als dat zo is, certificeren we ze met ISO270001.”

En wat doet jouw afdeling als het niet goed zit met de IT-veiligheid? “Dan helpen we ze dingen te verbeteren. De meeste bedrijven vinden IT-veiligheid in eerste instantie maar lastig: weer iets wat je moet regelen, en het CertifyPoint komt je ook nog eens vertellen waar je zwakke plekken zitten. Maar als je op die manier naar IT-veiligheid kijkt, blijft het saai: een risico waar je alleen maar last van hebt als het fout zit, en waar je op z’n best geen last van hebt. Maar mijn werk is sexy… spannend!”

Wat is er dan zo sexy aan jouw werk? “Wij proberen onze klanten te laten inzien dat security vooral een kans is. Natuurlijk moet je eerst je zwakke plekken en de lekken dichten. Maar daarna is het een hevel in je marketing. Vertel dat het bij jullie wel snor zit. Omdat je niet voortdurend aan het brandjes blussen bent, kun je je diensten gaan uitbreiden en is je IT-veiligheid een groeifactor. Weet je, heel veel mensen zijn klant bij bedrijven als Apple of Google omdat ze erop vertrouwen dat die geen al te gekke dingen doen met hun informatie. IT-veiligheid is vertrouwen. De meeste mensen hebben gewoon te weinig verstand van IT om zelf te beoordelen of een bedrijf bonafide is. Dus ze vertrouwen, bij gebrek aan iets anders.”

Lees het hele verhaal op de alumnisite van:

Vrije Universiteit Amsterdam

 

CSI The Hague: HHs speurt mee op hoog niveau

Op televisie hebben we het allemaal al een keer gezien: hightech snufjes die misdaden moeten helpen oplossen. Het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) probeert met tien andere partners, waaronder De Haagse Hogeschool, de fancy onderzoeksmethoden werkelijkheid te laten worden.

tekst: René Rector

Half oktober werd Amanda Knox in hoger beroep vrijgesproken. De Amerikaanse uitwisselingsstudente werd vier jaar eerder gearresteerd op verdenking van de moord op haar huisgenote in het Italiaanse Perugia. Er was een hele berg bewijsmateriaal tegen Knox, maar daar bleef in de rechtszaal niets van over. Een belastende vingerafdruk op de beha-sluiting van het slachtoffer bleek in de beroepszaak niet meer te verifiëren, omdat het bewijsstuk inmiddels was verroest. Ook het moordwapen – een mes met bloed van het slachtoffer op het lemmet en vingerafdrukken van Knox op het heft – raakte in het ongerede. Opmerkelijk: de juryvoorzitter zei na de uitspraak dat hij niet wist of Knox het had gedaan of niet, maar dat de jury op basis van het nog bestaande bewijs niet anders kon dan vrijspreken.

Nederlands Forensisch Instituut

De rechtszaak tegen Knox benadrukt hoe belangrijk een goede verzameling van sporen op de plaats delict is. Alle sporen moeten minutieus worden vastgelegd. ‘Je wilt eigenlijk zo snel en zo veel mogelijk vastleggen, maar tot nu toe zijn de opsporingsmethoden conventioneel,’ aldus Tjark Tjin-A-Tsoi, NFI-directeur. Is er een moord gepleegd, dan transformeert een onderzoeksteam de plaats delict zo goed mogelijk tot een stapel papier: foto’s van alles (met nummertjes en linialen erbij), plaatjes van gevonden vingerafdrukken, enzovoort. In de rechtszaal moeten de aanklager en de verdediging van de verdachte dan vaak bediscussiëren of het bewijsmateriaal wel solide in elkaar steekt. Bij Knox werd het mes uiteindelijk als bewijsmateriaal uitgesloten, omdat het niet op de plaats delict gevonden was.

Het NFI startte in 2009 met een groep hightech bedrijven de ontwikkeling van een nieuwe manier van bewijsvoering. Het principe is eenvoudig: leg zoveel mogelijk van de plaats delict vast en leen daarvoor technologie uit andere expertises. Leer forensisch onderzoekers daarna hoe ze met die technieken moeten omgaan in een laboratorium.

Link CSI-The-Hague spread

Het resultaat is indrukwekkend. Zo beschikt het lab nu bijvoorbeeld over een bril, die vastlegt wat de forensisch onderzoeker die ’m draagt, ziet. Tegelijkertijd geven experts die even verderop op een scherm met de onderzoeker meekijken via een oormicrofoontje aanwijzingen aan de onderzoeker. Ook is een warmtecamera ontwikkeld die nauwkeurig kan registreren of er nog warmtesporen op de plaats delict aanwezig zijn. Heeft iemand op een stoel gezeten? De stoel blijft nog uren meetbaar warm. En ook al zo fancy: een camera die eruitziet als een gewone handycam. Het verschil is dat een gewone videocamera altijd maar drie kleuren licht registreert: blauw, groen en rood. Deze spectrocamera registreert een paar honderd tinten. De camera kan door z’n fijnzinnigheid zelfs op een rood sprei niet alleen bloedsporen ontdekken, maar ook vaststellen hoe lang het bloed er al ligt. Een andere nieuwe tool is een camera die 3D-opnamen kan maken van een plaats delict.

O.J. Simpson en bewijsmateriaal

Het lab is ingericht als een oer-Hollandse straat met dito burgerlijke huisjes. Wie er binnengaat, treft bijvoorbeeld in de woonkamer een met bloed besmeurde paspop, en na enig zoeken een mes in de slaapkamer. Buiten de huisjes kan met grote schermen een ‘straat’ worden nagebootst inclusief dienders die het verkeer regelen en toegestroomd publiek. Dat het lab er ‘net echt’ uitziet heeft twee redenen.

Ten eerste zijn al die hightech snufjes indrukwekkend, maar voor ze echt als bewijs kunnen dienen in een rechtszaal, moeten rechters en advocaten overtuigd zijn van de geldigheid van zulk bewijs. Dat is niet voor niets: in de meeste rechtsstaten geldt dat iemand onschuldig is, tenzij het tegendeel overtuigend bewezen is. Een van de eerste rechtszaken waar DNA-sporen als bewijsmateriaal dienden, was die van de moord op Nicole Brown Simpson en haar minnaar Ronald Goldman, waarbij O.J. Simpson met zijn advocaten de betrouwbaarheid van zulk bewijsmateriaal vele malen aanvocht. Niemand zit erop te wachten dat een moordenaar vrijuit gaat omdat de spectrocamera ondeugdelijk blijkt. ‘Maar het Openbaar Ministerie vraagt steeds meer naar objectief bewijs,’ stelt projectleider Andro Vos van CSI The Hague. Het lab laat zien wat er mogelijk is, maar ‘het is niet aan ons om te bepalen wat deugdelijk is,’ zegt Vos.

Simulatiesoftware

Ten tweede moeten forensisch onderzoekers leren omgaan met nieuwe technieken. Het lab is een trainingsmogelijkheid voor rechercheurs. Zo kan een rechercheteam ‘ter plaatse’ recherchewerk verrichten. Simulatiesoftware bepaalt welk misdrijf er is gepleegd en welke rekwisieten het NFI vooraf moet plaatsen. De oefening begint bij de aankomst in de virtuele ‘straat’, waarna de recherche de woning in real life kan doorzoeken. Camera’s in het lab leggen dan nauwkeurig vast waar iedereen is en welke technieken ze gebruiken. Uit die camerabeelden blijkt gauw genoeg of rechercheurs het onderzoek goed uitvoeren. Daarmee is het lab zowel een onderzoeksfaciliteit om nieuwe onderzoekstechnieken te ontwikkelen en te verfijnen, als een trainingsfaciliteit voor (nieuwe) forensisch onderzoekers.

Nieuwe CSI-technieken aanleren

Training is bij forensische onderzoekstechnieken essentieel. ‘Forensisch onderzoeker is zo’n beroep waarin je pas na een paar jaar goed wordt. Het is eigenlijk heel ambachtelijk werk,’ vertelt Herman de Bruine. ‘De beste forensisch onderzoekers zijn om die reden meestal de oude rotten in het vak: zij hebben er al heel wat oefening op zitten.’

De Bruine doceert aan de opleiding Integrale Veiligheidskunde en vormt de linking pin met De Haagse in het CSI The Hague-project. Hij doet onderzoek naar leren in organisatieculturen. Bij het introduceren van nieuwe forensische technieken zou dat nog weleens een probleem kunnen worden, want als je een nieuwe techniek introduceert, is iedereen weer beginner. En als het hightech is, hebben de jonkies het meestal sneller door dan die oude rotten. ‘De verhouding op de werkvloer verandert. Dat zie je vaak met het invoeren van nieuwe technieken. Nu denken we vaak dat als mensen problemen ondervinden bij de introductie van nieuwe werkmethoden, dat individuele problemen zijn. Dat is niet zo. Het is een probleem dat besloten ligt in de organisatiecultuur.’

Rechercheurs

In sommige organisaties bestaat van nature respect voor elkaars kwaliteiten. In andere organisaties moeten alle individuele leden voldoen aan een (hoge) standaard. In die groep verwacht De Bruine veel meer problemen wanneer zo’n groep moet omgaan met een nieuwe techniek. ‘Het was het NFI ook opgevallen als er rechercheurs komen oefenen in het CSI-lab: de ene groep heeft het als groep veel sneller onder de knie dan de andere groep. In de ene groep leren mensen van elkaar, en is er weinig schroom om hulp te vragen. In andere groepen liep dat veel stroever. Dus nu trainen we groepen tijdens het leren omgaan met nieuwe technieken, ook op de sociale aspecten die daarbij komen kijken.’

Tegelijkertijd is de training een manier om ook de betrouwbaarheid van in de veiligheidssector werkende groepen te vergroten. Hoe beter een groep in staat is met fouten om te gaan en ervan te leren, hoe betrouwbaarder zo’n groep wordt. ‘Dat is dus niet alleen een kwestie van hightech apparatuur, maar ook van een team dat er adequaat mee om weet te gaan,’ aldus De Bruine.

Dit verhaal verscheen eerder in:

Link magazine van de Haagse Hogeschool

magazine voor studenten en medewerkers van De Haagse Hogeschool

De evolutie van een onderzoek

Op het beeldscherm bewegen stipjes. Computerpersonen. Ze bestaan, maar alleen in de computer van Guszti Eiben. Ze eten, paren, wandelen rond. Ze leren en zijn creatief. Worden geboren en gaan dood. Hun elektronische wereld is de creatie van wetenschappers. Een genesis van een wereld die uiteindelijk de onze moet simuleren. Het is het verhaal van Eiben. Over dromen in de wetenschap. Over een miljoenenproject dat er op miraculeuze wijze toch kwam. Over een nieuwe wereld.

tekst: René Rector, Sciencestories.nl

Het verhaal over de kunstmatige intelligentie van hoogleraar Informatica schreef ik, toen het onderzoek nog maar net begonnen was. Het bevat dan ook nauwelijks resultaten, want die waren er nog amper. Wat ‘De evolutie van een onderzoek’ wel heel mooi laat zien, is hoe de voorbereidingen, het peuteren aan de subsidiekraan en de moeizame maar noodzakelijke internationale samenwerking verliepen. Het is een kant van onderzoek die uiteindelijk in de vakliteratuur niet of nauwelijks aan bod komt. Het ‘dagboek’ van Eiben neemt je sprongsgewijs mee in twee jaar voorbereiding, die resulteert in een subsidie uit Brussel, en die oplevert waar het om te doen was: ‘agents’ – computerpersonen – die voorzichtig starten met communicatie.

Dit verhaal verscheen in:

eos maandblad over wetenschap