Categoriearchief: Gezondheid

‘Het is geen automatisme; soms word je teleurgesteld’

Het principe achter onderzoeksconsortium NeuroBasic is om geneesmiddelen op een zinnige manier te testen op proefdieren, waarbij de ziekte die ze moeten genezen vooral tot uiting komt in hun gedrag. Een muis blijft echter een proefdier van dertig gram en lange snorharen. Is een muis wel zo geschikt om menselijke aandoeningen aan te meten? Aan het woord Chris de Zeeuw, programmadirecteur NeuroBasic en Steven Kushner, Transworkpackageleader Schizofrenie.

door René Rector, Sciencestories.nl & Rineke Voogt

Waarom is gekozen voor een muis als proefdier?

De Zeeuw: “We hebben voor 97 procent dezelfde genen als een muis. Dat betekent dat heel veel genetische defecten, die ervoor zorgen dat een bepaald eiwit niet of verkeerd wordt aangemaakt, bij een muis identieke problemen veroorzaakt. Bovendien kan een muis gemakkelijk genetisch gemanipuleerd worden, is een muis eenvoudig te houden, plant hij zich snel en makkelijk voort en is goedkoop – wat het altijd al tot een geschikt proefdier maakte.”

Toch zijn er ook cases bekend van medicijnen die op de muis goed werkte, maar in de klinische trials teleurstelden.

De Zeeuw: “Dat komt voor. We hebben het binnen NeuroBasic ook gezien. In de praktijk blijkt dan dat een proces genetisch dezelfde oorsprong heeft bij muis en mens, maar dat de mate waarin de genen tot expressie komen bij een mens toch anders is. Daarom is het ook zo belangrijk dat je goed blijft opletten zodra je de vertaalslag naar de mens gaat maken: het is geen automatisme dat het daar net zo werkt. Soms word je gedeeltelijk teleurgesteld. Het blijft echter ook interessant om te kijken wat er nu juist wel en wat juist niet vergelijkbaar is.”

Kushner: “Een proefdier is geen persoon: de muis is expliciet een model, niet de daadwerkelijke patiënt. Dat maakt het moeilijk. We moeten goed uitzoeken welke delen van de fysiologie vergelijkbaar of juist compleet anders zijn.”

Je zou ook kunnen kiezen voor een ander proefdier.

Kushner: “Het kan soms voordelig zijn om te kiezen voor bijvoorbeeld de zebravis of een fruitvlieg. Maar voor ons type hersenonderzoek blijft het essentieel dat het modelbrein lijkt op dat van een mens. Het brein moet zo ontwikkeld mogelijk zijn, maar het dier moet zo min mogelijk lijden. Een potentieel diermodel als een primaat komt dan te dichtbij: hun emoties lijken te veel op die van ons.”

De Zeeuw: “Er is geen beter model. Welk dier je ook kiest, de stap waarbij je van proefdier naar mens gaat blijft cruciaal. En juist omdat we wel veel lijken op andere zoogdieren, maar er wel degelijk verschillen zijn, wordt iets wat veelbelovend leek toch geen succes of slechts een gedeeltelijk succes.”

Het argument dat proefdieren soms helemaal niet zo’n goed model blijken, wordt door lobbyisten ook aangevoerd om dan maar helemaal van proef- dieren af te stappen. Wat vindt u?

De Zeeuw: “Ik heb wel sympathie voor de moraal die voorschrijft dat elk proefdier er één te veel is. Ik vind dat je proefdieren alleen maar mag opofferen als er een reële kans is op nieuwe kennis. Toen ik als jonge onderzoeker mijn eerste rat moest doodmaken, heb ik overwogen een carrièreswitch te maken. Maar de realiteit is nu eenmaal dat we geen alternatief hebben. Er zijn geen proefdieren in het rijkdom der zoogdieren die geschikter zijn voor genetische manipulatie dan een muis, en helemaal zonder proefdieren kan je eigenlijk alleen in sommige gevallen, door op gekweekt weefsel te testen, en dan nog moet dat weefsel ergens vandaan komen. Waar dat kan, gebeurt dat ook. Maar je kunt aan weefsel niet zien of het depressief is, of epileptisch. Je kunt dat alleen maar aan het gedrag van een levend organisme zien.”

Kushner: “Het komt er uiteindelijk op neer dat geen enkele patiënt medicijnen zou willen testen die hem kunnen schaden. Als je proefdieren volledig buiten beschouwing laat, neem je dus een enorm risico. Niet alles kun je testen op computermodellen of gekweekte cellen. Maar het is echt niet zo dat wetenschappers dolgraag met proefdieren werken. Hopelijk hebben we ze op een dag niet meer nodig. Als er een net zo goed alternatief was, al kwam het zelfs maar in de buurt van net zo goed: ik zou het morgen overnemen, en velen met mij.”

Dit Kennislink hersenziekten NeuroBasic | hersenziektenverhaalLSHFES cover NL Diagnose, medicijnen, herstel | pathologen over pathologen schreef ik samen met RIneke Voogt en verscheen in Diagnose, medicijnen,
herstel, een boek onder mijn hoofdredactie over de resultaten van de LSH-FES-onderzoeksconsortia. Het verhaal hoort bij het gedeelte over onderzoeksconsortium Neurobasic.

Diagnose, medicijnen, herstel, werd uitgegeven door:

Nemo Kennislink | pathologen

Rolstoelbasketbal: vernieuwing op wieltjes

Wetenschappers ontwikkelen een rolstoel die perfect is om mee te sporten. Hun onderzoek verlegt niet alleen de grens van wat we weten over de rolstoelsport. Het verandert ook de rolstoeltopsport zelf, al was dat voor het rolstoelbasketbal tijdens de afgelopen Paralympics in Rio te laat.

tekst: René Rector, Sciencestories.nl

Als je wilt sporten met een rolstoel, dan moet die aan andere eisen voldoen dan een rolstoel voor dagelijks gebruik. Bij een wedstrijd wil de sporter zo snel mogelijk of zo wendbaar mogelijk zijn. Voor een sport als basketbal wil je ook nog zo hoog mogelijk zijn, want dat vergroot de kans om te scoren. Wetenschappelijk onderzoek naar prestaties onder rolstoelsporters is schaars. ‘Er is wel onderzoek gedaan, maar dan ging het altijd om een testsituatie, waarbij de proefpersonen vaak volledig functioneerden’, vertelt Rienk van der Slikke van de TU Delft.

‘Dat gaat op twee manieren mis. Wie niet gewend is om in een rolstoel te rijden, gebruikt een rolstoel anders dan wie erop is aangewezen. Bovendien was het nog maar de vraag of die testsituatie een wedstrijdsituatie goednabootste.’ Annemarie de Witte van de Vrije Universiteit Amsterdam vult aan. ‘Daarom zijn we from scratch begonnen om bij rolstoelbasketbalteams op topniveau te meten hoe de spelers tijdens de wedstrijd bewegen. We kozen voor rolstoelbasketbal, omdat die sport relatief veel beoefend wordt.’

Niet eenduidig

Van der Slikke rustte de rolstoelen van de nationale teams van onder meer Nederland en Groot-Brittannië uit met sensoren. Die houden bij hoe snel een speler beweegt, hoeveel hij draait, hoeveel zijwaartse beweging er is. Gecombineerd met video-opnames construeerde hij de mobiliteit tijdens een wedstrijd. ‘Dat was nooit eerder gedaan en leverde echt nieuwe informatie op’, zegt Van der Slikke. ‘Zelfs coaches kregen weer nieuwe informatie.’

Een rolstoelbasketballer rijdt in een wedstrijd stukken van tot 12 meter, maar meestal zijn het korte sprintjes van een meter of drie. Voorts draaien ze veel. Uit het sensorenonderzoek bleek zonneklaar dat je geen eenduidige bewegingsrepertoire en frequentie voor rolstoelbasketballers kan beschrijven. ‘De doelgroep valt op twee manieren uiteen’, vertelt De Witte. ‘Het hangt erg af van je positie in het veld. Guards (verdedigers) en forwards (middenvelders) bewegen veel meer, terwijl de centers (aanvallers) veel meer stilstaan. Veel hangt ook af van je handicap. Rolstoelbasketbal wordt beoefend door mensen die een onderbeen missen, maar ook door mensen die een hoge dwarslaesie hebben. De bewegingsbeperking is niet bij iedereen even groot.’

Volgens Van der Slikke is dat precies de reden waarom er in eerdere onderzoeken steeds in een gecontroleerde testomgeving is gemeten. Al snel wordt het aantal variabelen dat van invloed kan zijn op de meting zo groot, dat de onderzoeker niet meer weet wat hij aan het meten is.

Anti-tipwieltje

Het bewegingsonderzoek leidde tot de ontwikkeling van een testcircuit waarin de meeste bewegingen zijn opgenomen die tijdens een wedstrijd ook voorkomen: een lange sprint, korte sprintjes, draaibewegingen, stukjes achteruit, enzovoort. Met instelbare rolstoelen keken De Witte en Van der Slikke welke variaties op het testcircuit echt prestatieverhogend werkten. ‘Een anti-tipwieltje, dat onmogelijk maakt dat je achterover kunt vallen, en schuin geplaatste wielen waren de veranderingen ten opzichte van een gewone rolstoel die al waren doorgevoerd voor wij begonnen. Wij gingen variëren met stoelhoogte, gewichtsverdeling en de positie van de wielen ten opzichte van het lichaam. We verwachten dat we, als het onderzoek is afgerond, rolstoelsporters goed kunnen adviseren hoe ze hun stoel het best kunnen laten maken, afhangend van hun wensen en mogelijkheden’, zegt Van der Slikke.

Rolstoelbasketbal en rompmobiliteit

Voor deze Paralympische Spelen in Rio is dat nog net iets te vroeg, wat niet wegneemt dat er vanuit rolstoelhockey en -tennis al met grote belangstelling naar de resultaten wordt gekeken. En op hoofdlijnen zijn de onderzoekers er ook wel uit. Aanvallers zetten het best de zitting hoog neer, terwijl voor wie veel af- stand maakt de balans essentieel lijkt. De ondersteuningswieltjes remmen de rolstoel op langere stukken te veel af. ‘Wat iemand wil, moet je combineren met wat iemand kan. Als iemand nog rompmobiliteit heeft, kan hij hoger zitten omdat hij dan tijdens het voortbewegen voorover kan buigen en die beweging om kan zetten in snelheid. Iemand met een hoge dwarslaesie zit met z’n bovenlichaam gefixeerd in zijn rolstoel. Die kán niet voorover buigen.’

Dit is een gedeelte van het verhaal. Het hele verhaal verscheen in september 2016 in:

eos maandblad over wetenschap

Herstellen met stamcellen

Lichaamsmateriaal buiten het lichaam opkweken om ermee te knutselen spreekt tot de verbeelding. Maar er kan meer met stamcellen. Soms is het niet nodig om hele transplantaten te bouwen. Stamcellen zijn van grote waarde voor patiënten, ook als ze niet teruggeplaatst worden.

tekst: René Rector, Sciencestories.nl

Als een orgaan defect is, kun je proberen om het hele orgaan in een kweek es of met een printer opnieuw te maken. Maar dat is niet bij alle weefsels nodig. Soms volstaat het om op de plek van het defect iets nieuws te kweken. Maar hoe doe je dat?

Stamcellen functies laten oppakken

In de basis start dit soort onderzoek op dezelfde manier als de tissue engineers doen: ergens uit het lichaam worden stamcellen weggehaald. Buiten het lichaam worden deze stamcellen opgekweekt, waarna de onderzoekers ze laten differentiëren in de juiste soort cellen. Die worden daarna weer ingespoten in het lichaam, waar ze de functie oppakken die het lichaam zelf niet meer kan vervullen. Het klinkt eenvoudiger dan het is. Elke stap in het proces is uitdagend. Vind, om te beginnen, maar eens de juiste stamcellen. En kweek ze daarna maar eens in een petrischaaltje. Wellicht de ingewikkeldste uitdaging is nog om zeker te weten dat je ze veilig terug kunt plaatsen. Dat laatste is niet altijd nodig.

Personalized medicine

Er zijn verschillende aandoeningen waar al medicijnen voor bestaan, maar waarbij de variatie in hoe patiënten op die medicijnen reageren groot is. De ene hartpatiënt of kankerpatiënt heeft enorm baat bij het medicijn, terwijl de ander niet reageert of zelfs schade ondervindt van het medicijn. Bij zulke geneesmiddelen zou je als arts eigenlijk op voorhand willen weten of wat je voorschrijft ook gaat helpen. Je wilt medicijnen personaliseren (ook wel personalized medicine genoemd).

Dat wordt steeds beter mogelijk. Onderzoekers zijn in staat om met behulp van stamcellen patiënt-eigen weefsel te kweken buiten het lichaam. Zo’n kweek dient dan als ‘proefkonijn’ om te voorspellen welk effect het geneesmiddel heeft.

Dit Kennislink regeneratieve geneeskunde Nirm cover NLverhaalLSHFES cover NL Diagnose, medicijnen, herstel | pathologen verhaal over stamcellen verscheen in Diagnose, medicijnen, herstel, een boek onder mijn hoofdredactie over de resultaten van de LSH-FES-onderzoeksconsortia. Het verhaal hoort bij het gedeelte over onderzoeksconsortium NIRM.

Pathologen gaan in de cloud

Praktisch gezien is op grote schaal samenwerken voor pathologen lastig. Hun object van studie bestaat uit flinterdunne plakjes weefsel onder de microscoop. Samen kijken betekent dat je naast elkaar moet gaan zitten. Tot voor kort. Ook pathologen werken nu in de cloud.

tekst Rene Rector, Sciencestories.nl

Traditioneel kunnen pathologen alleen samen naar een preparaat kijken met behulp van een zogenoemde multikop: een microscoop met twee sets kijkvensters. Even digitaal een bestandje mailen zit er niet in: tot een paar jaar geleden bestond er geen scanner die gedetailleerd genoeg een heel preparaat kon scannen. Een foto van een preparaat is al gauw vijf gigabyte groot en dat zet je niet even op de mail. Bovendien: alles wat een connectie heeft met internet is gevoelig voor informatielekken, en de informatie die weefselcoupes bevat is privacygevoelig.

3.000 Megapixel

“Beveiliging en de omvang van bestanden waren onze grootste uitdagingen”, vertelt Nikolaos Stathonikos, ICT-specialist bij de pathologie-afdeling van het Universitair Medisch Centrum Utrecht (UMCU) en projectleider van het tEPIS-project. Dit project, waarin pathologie-afdelingen van zes universitair medische centra en Philips participeren, beoogt om datgene te doen wat tot nu toe onmogelijk was: op afstand preparaten bekijken, informatie met elkaar te delen en grootschalig pathologisch onderzoek logistiek sterk te vereenvoudigen.

tEPIS, het Trait Enhanced Pathology Image Sharing-systeem, bouwt voort op een recente technologische ontwikkeling: het kunnen scannen van microscoopglaasjes. Preparaten zijn vaak minder dan een vierkante centimeter, maar recente scanners kunnen die vierkante centimeter scannen op een duizelingwekkende drieduizend megapixelformaat. Coupescanners leveren digitale beelden, die anders dan microscoopglaasjes niet kunnen breken, kwalitatief niet achteruit gaan en kopieerbaar zijn. Maar die beelden zijn niet alleen heel gedetailleerd, ze zijn ook enorm groot.

Medische gegevens

“Je kunt dat soort beelden normaliter niet met elkaar delen via het web”, stelt Stathonikos. “Hoe snel je verbinding ook is, ‘even door een preparaat scrollen’ is er niet bij.” De oplossing is een digitale techniek, waarbij alleen het deel wat je wilt bekijken via het web op jouw computer belandt. De scan blijft netjes op een server staan. De tEpis-software berekent welk deel van die scan, op welke vergroting, je computer moet tonen. Jan-Willem Boiten, projectcoördinator van het overkoepelende Trait-consortium: “Vergelijk het met Google Earth. Als je dat opstart, zie je afhankelijk van je locatie je eigen land in beeld. Ga je zoomen, dan stuurt Google je gedetailleerdere informatie. Wil je weer meer overzicht, dan krijg je weer een nieuwe uitsnede.”

Was het uitwisselen van grote bestanden vooral een technisch probleem, de beveiliging van gegevens is foutgevoelig op menselijke schaal. Daarom wordt de herkomst van de scans apart van de scans zelf opgeslagen. Op die manier wordt het risico dat een hacker uit de cloud medische gegevens van meneer Pietersen kan peuteren minimaal. Stathonikos: “Wat het web op gaat, is niet tot patiënten herleidbaar. Maar we hebben, onvermijdelijk, voor een breed scala van beveiligingsissues een oplossing moeten bedenken.”

Nieuw onderzoek

De digitale uitwisselingstechniek is niet alleen handig voor een second opinion bij een collega aan de andere kant van de oceaan. Je kunt er ook veel makkelijker onderzoek mee doen. In onderzoek naar bioimaging-technieken is digitalisering een uitkomst. Het idee is dat de computer op basis van het digitale bestand vast wat voorwerk doet om te bezien of het preparaat bijvoorbeeld kankercellen bevat. Dat gebeurt met algoritmes zodat de computer weet waar hij op moet letten. Lastig is alleen wel, dat verschillende algoritmes moeilijk te vergelijken zijn.

De problemen ontstaan doordat pathologen cellen of onderdelen daarvan in een weefselcoupe kleuren om ze zichtbaar te maken. Dat moet ook wel, anders zou je überhaupt te weinig zien op een preparaat. Maar de verschillen tussen laboratoria zijn groot, voor kleuringen en voor de kwaliteit van digitale scans. Voor diagnostiek is dat prima, want het geoefende menselijk oog is erg flexibel. Maar als je een computer wil leren om geautomatiseerd beelden te interpreteren is dit een probleem.

Grand Challenge

Desondanks buitelen in het biomedische beeldanalyseonderzoek de publicaties over elkaar heen waarin onderzoekers claimen dat ze een algoritme hebben ontwikkeld dat microscoopbeelden goed weet te duiden. “Maar wat is nou het beste algoritme”, vraagt Jeroen van der Laak van het Radboud Universitair Medisch Centrum zich retorisch af. “Veel van dat soort publicaties blijken, eenmaal geverifieerd door andere onderzoeksgroepen, sterk afhankelijk van de behandeling van het preparaat. Terwijl je juist een algemeen bruikbaar algoritme wil.”

In beeldanalyseonderzoek worden daarom voor klinisch relevante toepassingen soms zogenoemde Grand Challenges georganiseerd: een uitdaging aan deelnemers om voor een gegeven set beelden een algoritme te schrijven dat betrouwbaar en algemeen bruikbaar is. Die set aan beelden is daarbij liefst samengesteld uit verschillende bronnen. Het klinkt als een spelletje, maar het is uitermate nuttig: de beste algoritmes komen zo naar boven drijven, en dat brengt het vakgebied een stuk verder.

Software voor pathologen

Onder pathologen zijn er nog relatief weinig van dergelijke challenges georganiseerd. De groep van Van der Laak is november 2015 begonnen met een bijzondere challenge.Doel hiervan is om tot een algoritme te komen dat op basis van lymfeklierweefsels van borstkankerpatiënten aan pathologen kan aangeven waar zich kankercellen bevinden. Van der Laak: “Normaliter moeten pathologen daarvoor meerdere coupes geheel inspecteren, maar dat is tijdrovend en foutgevoelig. Je ziet snel iets over het hoofd. Hier is automatisering echt van nut.”

Het bijzondere aan de challenge is dat die als eerste volledig gescande microcopische preparaten aanbiedt, die via het tEPIS-systeem uitgewisseld worden. Van der Laak: “Het kan ook zonder, natuurlijk. Maar dat vraagt veel specifieke kennis van pathologiebeelden. Nu hebben we een goede interface. Dat maakt het schrijven van software veel eenvoudiger. Juist voor de informatici die je bij zo’n challenge nodig hebt, levert dat echt een grote meerwaarde.”

Dit bestandsdeling Tepis cover NL | pathologenverhaalLSHFES cover NL Diagnose, medicijnen, herstel | pathologen over pathologen verscheen in Diagnose, medicijnen,
herstel, een boek onder mijn hoofdredactie over de resultaten van de LSH-FES-onderzoeksconsortia. Het verhaal hoort bij het gedeelte over onderzoeksconsortium tEPIS.

Diagnose, medicijnen, herstel, werd uitgegeven door:

Nemo Kennislink | pathologen

Methode Neurobasic biedt zicht op medicijnen voor 5 hersenziekten

Kennislink medicijnen NeuroBasic infographic stap 1
1) In de zaad- en eicellen van proefdieren worden genetische mutaties aangebracht. Dit veroorzaakt genetische defecten. De proefdieren worden gescreend of ze het juiste defect hebben.

Hersenziekten scoren in de overlijdensstatistieken ver onder kanker en hart- en vaatziekten. Daardoor wordt de impact van aandoeningen aan de hersenen nogal eens onderschat. De invloed op kwaliteit van leven, de behandelkosten en het ziekteverzuim als gevolg van ziektes als depressie, epilepsie, autisme en schizofrenie is echter immens. NeuroBasic zocht naar een manier om medicijnen goed te kunnen testen.

door René Rector / Sciencestories

Naast een onderschatte maatschappelijke impact hebben hersenziektes als depressie, epilepsie, autisme en schizofrenie nog iets met elkaar gemeen: er bestaat geen medicijn tegen.

Kennislink medicijnen NeuroBasic infographic stap 2
2) Met behulp van gestandaardiseerde testjes wordt gemeten welke hersenaandoening de testmuis heeft, zoals epilepsie, schizofrenie of Parkinson.

Maar dat gaat veranderen, als het aan het onderzoeksconsortium NeuroBasic ligt. Zij ontwierp een methode waardoor je adequaat en gericht een stof kunt ontwikkelen die epileptische aanvallen onderdrukt of schizofrenie bestrijdt.

Het grote probleem bij hersenziektes tot nu toe was dat medicijnen op geen enkele manier te testen waren. De geschiedenis telt tal van ethisch onverantwoorde experimenten waarin mensen als proefkonijn werden gebruikt.

In de farmacologie is het testen op proefdieren de regel, maar omdat niemand kon vertellen of een muis schizofreen is of niet – laat staan schizofrenie bij muizen kon veroorzaken – was het ontwikkelen van een medicijn voor een hersenziekte een hachelijke onderneming.

Gedrag

“In een voorloper van NeuroBasic, hebben we een methode ontwikkeld om muizen heel specifiek dát genetische defect te bezorgen dat bij mensen tot een hersenziekte leidt”, vertelt programmadirecteur en hoogleraar Neurowetenschappen Chris de Zeeuw.

Kennislink medicijnen NeuroBasic infographic stap 3
3) Op basis van het genetisch defect wordt een medicijn ontworpen. Dit dien je toe aan de muis. Daarna wordt het effect van het medicijn geanalyseerd.

“Vervolgens hebben we heel nauwkeurig vastgelegd hoe een muis zich afwijkend gedraagt bij de verschillende hersenziekten. Dat is nodig. Bij ziekten als kanker of hart- en vaatziekten kun je vaak op cellulair niveau zien wat er mis is, en of je geneesmiddel iets heeft gedaan. Bij hersenziekten moet je dat afleiden uit het gedrag van het proefdier.”

Om het muisgedrag te kunnen vastleggen was veel innovatie nodig: een methode om naar behoefte genen aan of uit te kunnen zetten, testjes die zorgvuldig meten in hoeverre een proefdier lijdt aan de aandoening die door de genetische mutatie zou moeten zijn veroorzaakt, en een registratiesysteem dat van honderden muizen tegelijk het gedrag kan vastleggen en analyseren.

Werkzame stoffen

Kennislink medicijnen NeuroBasic infographic stap 4
4) Als het medicijn niet het gewenste effect heeft, moet de onderzoeker terug naar de tekentafel. Lijkt het wel succesvol, dan volgt een analyse waarom het medicijn goed werkt.

NeuroBasic startte met iets wat nog geen wetenschappelijk onderzoeker eerder had gehad: een proefdiermodel waarop je kan testen. De Zeeuw: “Nederland was de enige locatie waar je zoveel wetenschappers van zoveel verschillende disciplines dicht bij elkaar hebt. Er zitten mensen tussen met veel verstand van gedrag, van hersenen, zenuwen, het limbische systeem, van software, van techniek om in hoog tempo muizen te screenen zonder stress te veroorzaken. Elders in de wereld krijg je die expertise niet voldoende bij elkaar; niet in de academische wereld en niet bij de farmaceutische industrie.”

Het was een begin. Met een zieke muis in de hand was de grote uitdaging binnenNeuroBasic om werkzame stoffen te ontwerpen voor medicijnen. Daarna volgde de test op proefdieren, en werd duidelijk 
of een beoogd medicijn ook doet wat het moet doen. De volgende stap was om duidelijk te
 krijgen waarom het medicijn bij de muis wel of 
niet werkte; en soms moesten de onderzoekers terug naar de tekentafel.

Medicijnen

De laatste stap voor de klinische tests begonnen, was misschien wel de spannendste. Want een epileptische muis kunnen behandelen is één ding. Maar of het middel ook bij mensen werkt, is altijd nog maar de vraag.

Kennislink medicijnen NeuroBasic infographic stap 5
5) Een werkzaam medicijn voor een muis is niet automatisch hetzelfde als voor een mens. Nu zoekt de onderzoeker uit of het medicijn in mensen hetzelfde zou doen. Pas dan is het medicijn klaar voor een klinische test.

“We lijken op muizen. Maar we hadden al eerder gezien dat ook al grijpt een middel in op de synthese van één bepaald eiwit en is die synthese bij de muis gelijk aan die bij de mens, er zijn toch verschillen in wat het lichaam doet met een medicijn, of met het eiwit”, stelt De Zeeuw.

Daarom blijft het spannend tot de laatste klinische trials zijn afgerond. De Zeeuw acht de kans echter groot dat NeuroBasic niet alleen het proefdieronderzoek naar een nieuw niveau heeft getild, maar dat het ook medicijnen gaat opleveren tegen autisme, neurofibromatose (het erfelijk onvermogen neurofibromine aan te maken, met zeer uiteenlopende kenmerken, variërend van café-au-lait-vlekken tot leerproblemen), tubereuse sclerose (een mutatie, met uiteenlopende gevolgen zoals epilepsie, autisme, een verstandelijke handicap, huidaandoeningen en nieraandoeningen), epilepsie en schizofrenie: vijf harde noten om te kraken voor de farmaceutische industrie. De symptomen daarvan waren soms wel te onderdrukken, maar niet zonder nare bijwerkingen.

Dit verhaal introduceert het boek ‘De volgende generatie medicijnen voor hersenziekten’, waarvan ik de hoofd/eindredactie verzorgde in opdracht van:

Nemo Kennislink | medicijnen