Categoriearchief: Beleid

3e symposium Science in Transition: perverse prikkels nog steeds op agenda

De wetenschapsbeoefening in Nederland wordt op de verkeerde manier geprikkeld en dat leidt tot allerlei misstanden. Dat was de boodschap van Science In Transition, drie jaar geleden. Maar hoewel de analyse inmiddels wel door een aantal beleidsmakers en bestuurders wordt omarmd, blijven grote veranderingen uit, bleek in Amsterdam op het derde Science In Transition-symposium, dinsdag 15 maart.

tekst René Rector, Sciencestories.nl

De premisse in het Trippenhuis was dat de echte verandering bij universiteiten zelf vandaan moet komen. De 150 wetenschappers en belangstellenden die op het symposium waren afgekomen, kregen een keur aan sprekers voorgeschoteld, die elk vanuit een ander vertrekpunt telkens in die richting wezen. Het probleem waarvoor SiT een oplossing zoekt, is dat wetenschappers niet meer geleid worden door interessante en relevante vraagstukken, maar veeleer door de mogelijkheid ergens een publicatie over te schrijven, omdat ze dáárop beoordeeld worden. Het gaat daardoor niet meer om kwaliteit, maar om kwantiteit.

SiT staat in haar opvattingen niet alleen. December 2014, tijdens het vorige symposium, ondertekende Karl Dittrich van de VSNU nog de San Francisco Declaration, waarbij sympathisanten zich kunnen committeren om iets aan min of meer dezelfde misstanden te willen doen. Sinds dat symposium werd SiT met regelmaat aan rondetafelgesprekken uitgenodigd, zo vertelde Wijnand Mijnhardt (SiT, Descartes Center) in de introductie. “We hebben het discours naar onze hand gezet”, stelde hij. Maar om nu te zeggen dat het roer was omgegaan… nee. Universiteiten waren eerder meer geneigd om te letten op kwantiteit dan minder, betoogde hij in een analyse waarin hij vooral van leer trok tegen management by numbers.

Veel opgelegd van boven

Frank van Vree, decaan van de faculteit der geesteswetenschappen van de UvA, schetste de gevolgen van de gewraakte focus cijfers: de hang naar administratieve beheersbaarheid en kwantificering van onderwijs- en onderzoekssucces hadden binnen zijn faculteit geleid tot de ene na de andere koerswijziging, met als gevolg dat docenten op hun tandvlees liepen en studenten uiteindelijk het maagdenhuis bezetten met als doel het kwalitatief onderwijs te krijgen waarvoor ze hun collegegeld betaalden. Van Vree: “De keuzemogelijkheid om zelf je doelen te bepalen is heel klein geworden. Veel wordt gewoon van bovenaf opgelegd.”

Lees het hele verslag op de website van:

Science in trantisition

Gevangen in de ivoren toren

Nederland moet een nationale wetenschapsagenda gaan opzetten, met daarop de grand challenges voor de komende tien jaar. Dat staat in de wetenschapsvisie 2025, die Jet Bussemaker eind november presenteerde. Vandaag praat de vaste kamercommissie Onderwijs, Cultuur en Wetenschap met mensen uit het veld. Maar hoe realistisch is zo’n wetenschapsagenda? ‘Waarom is toch dat verlangen om die burgers erbij te betrekken?’

tekst: René Rector, Sciencestories.nl

Het is niet moeilijk om kritiek te oogsten op de Wetenschapsvisie 2025. Vraag het een succesvolle wetenschapper en hij verzucht dat er inmiddels regeldruk genoeg is. Bovendien: dat VNO-NCW en het MKB aan de onderhandelingstafel aanschuiven om die wetenschapsagenda mede te bepalen, dat is vloeken in de kerk. Vraag het eens aan een startende wetenschapper, en die merkt sarcastisch op dat er na een moeizaam carrièrepad van tijdelijke aanstellingen na tien jaar toch geen ruimte meer is op een universiteit en je als promovendus dus structureel op een dood spoor wandelt. De KNAW opende medio december een speciale discussiepagina waarop iedereen zijn grieven kon tonen. De kritiek (‘Dit is het zoveelste waanidee over de maakbare samenleving’) lag voor de hand.

Wetenschapsvisie

Die maakbare samenleving heeft echter wel meer hulp van wetenschappers nodig dan ze nu krijgt. Vindt mr. drs. Jan Staman. Hij is geen arrivé professor en ook geen ploeterende promovendus. Hij zwaait in maart na veertien jaar af als directeur van het Rathenau Instituut. Dat was één van de grotere inspiratiebronnen voor de wetenschapsvisie was: het instituut wordt liefst 28 keer aangehaald in het beleidsstuk. Vindt ook professor Frank Miedema, in het dagelijks leven decaan van de medische faculteit van de Universiteit Utrecht, en daarnaast een van de initiatiefnemers van Science in Transition. Dat is een club die vindt dat wetenschap anders en beter moet. De club bestaat pas anderhalf jaar, maar inspireerde Bussemaker eveneens rijkelijk bij het formuleren van de wetenschapsvisie.

De wetenschapsagenda als boodschappenlijstje

Het vormen van zo’n nationale wetenschapsagenda vinden beiden een goed idee, maar in de uitvoer kan het makkelijk misgaan. Miedema: ‘Het moet geen boodschappenlijstje worden, waar men vervolgens in Den Haag over kan stemmen. Het zouden eerder thema’s moeten zijn die een leidraad vormen, maar die breed genoeg zijn om op een vruchtbare manier wetenschap te bedrijven.’ Een schets van die thema’s vinden Miedema en Staman eenvoudig. Staman: ‘De grote problemen van nu natuurlijk. Iedereen kent ze wel. Klimaatverandering, en hoe daarmee om te gaan. Het voedselvraagstuk: hoe zorgen we dat er voldoende voedsel blijft voor de almaar groeiende wereldbevolking. En de vergrijzing.’ Miedema vult aan: ‘De vraag hoe we het effect van economische ongelijkheid op de volksgezondheid en op economische groei verzachten, de problemen van integratie en de multiculturele samenleving, en de optimale regulering van de financiële sector.’ Het zijn allemaal problemen die schreeuwen om een oplossing. ‘Wetenschappers kunnen die problemen niet oplossen,’ stelt Staman, ‘maar we hebben wel wetenschappelijk onderzoek nodig om die zaken het hoofd te bieden.’

Publiek debat

Per thema moet de wetenschapsagenda dan nog verder ingevuld worden, al stapt de visie wat al te makkelijk over de problemen heen die het betrekken van ‘het brede publiek’ bij het vormen van die wetenschapsagenda met zich meebrengt. Staman: ‘Waarom is toch dat verlangen om die burgers erbij te betrekken? Je kunt niet gaan vragen: wilt u een miljoen aan kankeronderzoek besteden of aan klimaatverandering? Daar komt geen zinnig antwoord op. Het is aan de politiek om dat soort keuzes te maken.’

Staman weet waarover hij praat. Het Rathenau Instituut inventariseert problemen en hobbels bij nieuw opkomende technologieën, en daarbij onderzoekt het instituut regelmatig burgerperspectieven. ‘Maar we vragen altijd: “hoe lossen we het op?”, nooit “wat moeten we oplossen?” Lukraak mensen gaan vragen, leidt ook tot niets. Ze komen wel hoor, zeker als je hun reiskosten vergoedt. Maar zo’n discussie levert niets op, als er geen heikel punt is. Als er iets op het spel staat, of de risico’s zijn groot genoeg, dan ontstaat de betrokkenheid vanzelf. Toen Shell bij wijze van proef kooldioxide wilde opslaan in een oud aardgasveld onder Barendrecht, hoefde de overheid de bewoners daar echt niet uit te nodigen. Ze stonden in de rij, want het ging om hún leefomgeving.’

Nanotechnologie

Door de overheid geïnitieerde debatten over wetenschappelijke thema’s lukken niet zomaar. Drie jaar geleden organiseerde de overheid bijvoorbeeld een nationaal debat over nanotechnologie, met idee om burgers meer te betrekken bij de nanotechnologische wetenschapsagenda. Uiteindelijk kwamen “de burgers” met het advies: ‘Gaat u vooral verder, want nanotechnologie kan tot mooie dingen leiden. Maar pas wel op, want er zijn ook risico’s.’ Dat is geen hemelbestormend inzicht. Dr. Lotte Krabbenborg, die in 2013 promoveerde op een analyse van dat debat, concludeert in haar proefschrift: ‘De grootste problemen bij dat debat waren dat aan de ene kant dat nanotechnologie net als iedere andere nieuwe technologie wel beloftes doet over wat er allemaal mee kan, terwijl het nog helemaal niet duidelijk is of die beloftes waargemaakt gaan worden. Dat kan ook niet, trouwens. Aan de andere kant was de evaluatiecommissie eigenlijk hoofdzakelijk geïnteresseerd in de zichtbaarheid van het debat en de opkomst, en niet in wat die debatten inhoudelijk zouden opleveren. In dat opzicht schoot het debat tekort.’ Jan Staman vindt het nanodebat een goed voorbeeld van hoe het niet moet. ‘Wij hebben er toen niet aan willen meedoen. Er zou niets uitkomen, omdat het niet duidelijk was wat het debat moest opleveren.’

Vleesindustrie

Wil een nationale wetenschapsagenda aansluiten bij de behoeftes van de maatschappij, dan is het echter wel nodig om de discussie breder te trekken dan alleen tussen beleidsmakers en wetenschappers. Dat kàn ook wel. Staman: ‘Neem nu de veeteelt. Daar hebben ze tien jaar geleden tegen elkaar gezegd: “Jongens, als we niet een paar prangende problemen slechten, is er straks geen draagvlak meer voor de vleesindustrie en dan kunnen we de tent wel sluiten. Wageningen zat toen aan de vergadertafel, maar ook de brancheorganisatie en de boeren. Er was geen competitie… er moest een klus geklaard worden. Er moest meer aandacht komen voor dierenwelzijn, alleen wist niemand precies wat een varken of een kip eigenlijk prettig vond. Dus startten de ethologen met fundamenteel wetenschappelijk onderzoek naar diergedrag. Toen kwamen de designmensen, die de behoeften van die dieren gingen vertalen in huisvesting. Toen kwamen de bouwers. En nu hebben we in Nederland geen legbatterijen meer, en kijkt de EU met grote belangstelling wat we hier aan het realiseren zijn.’

Miedema komt uit een sector waar burgerparticipatie ook goed slaagt: de gezondheid. Belanghebbende burgers hebben zich daar vaak goed georganiseerd in patiëntenorganisaties. ‘Er zijn hier al heel veel voorbeelden van en de gezondsheidsfondsen zoals KWF en Hartstichting stellen hun onderzoeksagenda’s op na raadpleging van hun achterban.’

Fundamentele kennis

Ook voor de andere grote vragen zijn er volgens Miedema belanghebbenden te vinden om onderzoeksagenda’s mee samen te stellen. ‘Wetenschappers kunnen zelf nagaan waar hun publieken zijn en ze opzoeken. Ze moeten contact zoeken met overheden, bedrijven, patiëntenorganisaties, buurtverenigingen, scholen, enzovoorts. Omgekeerd kunnen die belanghebbenden natuurlijk ook op zoek gaan naar wetenschappers.’ Miedema ziet dat wel gebeuren, en is niet bang dat het daardoor gedaan is met fundamenteel wetenschappelijk onderzoek. ‘Ook bij het onderzoeken van een heel concrete vraag stuit je op lacunes in je fundamentele kennis. Maar omdat je dat fundamentele onderzoek gaat doen aan de hand van een concrete vraag, versterkt het de band tussen wetenschap en maatschappij. Uit onderzoek blijkt ook dat dit de relevantie van wetenschappelijk onderzoek vergroot.’

Ondergrondse opslag van CO2

Volgens Staman doen beleidsmakers die burgers graag willen betrekken bij een wetenschapsagenda, er verstandig aan die burgers serieus te nemen. Leidt het gebrek daaraan bij nanotechnologie nog op z’n best tot onverschilligheid, het kan ook zomaar averechts werken. De aanvliegroute van de ondergrondse opslag van kooldioxide in Barendrecht is volgens Staman een prachtige blueprint for disaster. ‘Je kunt wetenschappers wel laten beweren dat er absoluut geen gevaar schuilt in het in de grond pompen van kooldioxide en dat je daarom zo’n dichtbevolkt gebied in Zuid-Holland wel kunt gebruiken als proeftuin. Maar de eerste die bij dat soort beweringen opstaat en het tegendeel beweert, is een vakgenoot. En dan is het vertrouwen weg.’ Dat gebeurde hier ook, en ineens had die ondergrondse CO2-opslag een naar luchtje. Toenmalig minister Verhagen zag er uiteindelijk vanaf. Wat er plaatsvond, was geen open debat met burgers over een nieuwe technologie, maar een soort schwalbe waarin de beleidsmakers probeerden een beslissing te forceren door te wapperen met een wetenschappelijk onderzoeksrapport. ‘Daarmee geef je wetenschap eigenlijk het laatste oordeel. Dat werkt niet, omdat je het wetenschappelijk onderzoek inzet als spreekbuis voor jezelf.’

Technocratisch

Het onderliggende probleem is volgens Staman dat er in het openbaar bestuur nog steeds technocratisch gedacht wordt: de uitdagingen in de samenleving kunnen met behulp van analyse becijferd worden, en de oplossing komt dan van wetenschap en technologie. In de praktijk blijkt ‘kennis op bestelling’ niet, zo waarschuwen tal van wetenschappers in reactie op de wetenschapsvisie. Wetenschappelijk onderzoek verloopt nu eenmaal grillig, omdat je op voorhand nu eenmaal niet weet wat de resultaten zullen zijn. Soms is het een spectaculaire doorbraak. Soms vind je niets.

Prestatiemoraal

Weg dus, met die wetenschapsagenda? Nee, vinden Staman en Miedema. Ook zonder wetenschapsvisie is er namelijk iets aan de hand met wetenschap, en die hobbel kan nog weleens lastiger te nemen zijn dan het organiseren van een zinnig publiek debat. ‘De wetenschap is de afgelopen twintig jaar steeds meer met zichzelf in verlegenheid gebracht,’ stelt Staman. ‘Wetenschappers lijden aan een prestatiemoraal die steeds meer begint te knellen.’ Ze laten zich leiden door de vraag of ze hun onderzoek kunnen publiceren in gerenommeerde wetenschappelijke tijdschriften en niet door de vraag of het ergens nuttig voor is. Miedema: ‘Science in transition vindt dat dat de kwaliteit van onderzoek ondergraaft. Maar wetenschappers zijn economisch afhankelijk geworden van publiceren.’ Geld gaat in regel naar onderzoekers die goed onderzoek doen. Maar wat is goed onderzoek? Miedema: ‘Aantallen publicaties en impactfactoren blijven voor veel bestuurders en subsidiegevers aantrekkelijk vanwege de overzichtelijkheid en de meetbaarheid.’ Publiceren betekent geld, en wie dat niet belangrijk vindt of er niet in slaagt zakt carrièretechnisch in de vergetelheid. Publish or perish, heet dat in de wetenschap.

Publicatiedruk

Hoe meer wetenschappers klimmen op de carrièreladder, hoe meer ze doorkrijgen dat het dáár eigenlijk om gaat. Uit onderzoek van het Rathenau Instituut blijkt dat voor 39 procent van de hoogleraren publiceren in hooggewaardeerde wetenschappelijke tijdschriften de belangrijkste drijfveer is. Voor promovendi is dat maar 25 procent. Hoe verder wetenschappers komen in hun carrière, hoe meer ze niet alleen gaan letten op hoevéél ze publiceren, maar ook op het impact van het vaktijdschrift. De behoefte om maatschappelijk relevant onderzoek te doen neemt echter langs datzelfde carrièrepad juist af: 21 procent van de promovendi ziet ‘maatschappelijk nut’ nog als belangrijkste drijfveer voor hun onderzoek, terwijl dit percentage bij hoogleraren is geslonken tot 7 procent.

Ivoren toren van publicaties

De wetenschap zit op die manier gevangen in haar eigen ivoren toren. Het is een mondiaal, zichzelf in stand houdend systeem dat niet leidt tot resultaten waar de maatschappij blij van wordt. Wetenschappers worden er evenmin blij van, maar dan omdat het gevecht om de subsidiepot, waarbij weer driftig gekeken wordt naar reputatie en publicaties elke paar jaar weer opnieuw gevoerd moet worden en handen vol tijd en energie kost. Het leidt tot onderzoek naar problemen waar je met een vier jaar durende subsidie een leuk resultaat kunt laten zien, niet tot onderzoek naar een groot, uiterst complex probleem waar je na vier jaar wellicht nog altijd met lege handen staat (en daarna ook zonder geld). Dat laatste type onderzoek is echter wel het soort onderzoek waar de maatschappij behoefte aan heeft.

San Francisco-verklaring

Wil de nationale wetenschapsagenda een kans van slagen hebben, dan moet die niet alleen burgerparticipatie vruchtbaar organiseren, wat al een monsterklus wordt, ze moet dus ook een alternatief bieden voor de huidige manier van onderzoeksfinanciering en beoordeling van onderzoekers. Miedema heeft hoop: ‘De Vereniging van Samenwerkende Nederlandse Universiteiten heeft vorige maand de San Francisco-verklaring tegen de kwantitatieve beoordeling van wetenschap ondertekend. De VSNU geeft een belangrijk symbolisch vervolg aan de discussie over wetenschappelijke kwaliteit en erkent dat maatschappelijke relevantie daarin mee moet wegen.’

Wetenschappelijke autonomie

In dat opzicht valt het plan van Bussemaker voor een nationale wetenschapsagenda in een gunstig zaaibed. De kritiek vanuit de wetenschappelijke wereld, dat zo’n wetenschapsagenda de wetenschappelijke autonomie zou verkwanselen, vindt Miedema onterecht. ‘Hierbij wordt er van uit gegaan dat wetenschap niet alleen onstuurbaar is, maar ook denkt men kennelijk dat er niet al actief gestuurd wordt. Wetenschap wordt wel degelijk gestuurd, zowel van binnenuit als van buiten door subsidiegevers, universiteiten met hun strategieën, en natuurlijk heel sterk door de kwantitatieve beoordelingscriteria. Maar het uitgangspunt van Science in Transition is de enorme maatschappelijke impact van wetenschap. De vruchten van wetenschap zijn alomtegenwoordig, van smartphones tot slimme medicijnen. Dit ‘succes’ van de wetenschap, als transformerende én ontwrichtende kracht in de samenleving, gecombineerd met de toenemende vraag om investeringen, maakt een pleidooi voor autonomie onhoudbaar.’

Clubje

Staman: ‘Het is niet zomaar een Nederlands clubje. Er is internationaal weerstand tegen het huidige systeem. De eerste barsten in het systeem zijn er al. Ik denk, dat als Nederland zou besluiten om maling te hebben aan die kwantitatieve maatstaven en we er inderdaad in slagen om wetenschappelijk onderzoek te starten dat beter aansluit bij wat we als land nodig hebben, zoals in de intensieve veehouderij gelukt is, dan kijkt ook daar de rest van Europa met argusogen naar.’

Dit verhaal schreef ik exclusief voor Sciencestories.nl. Meer lezen over wetenschapsbeleid? Zie dan bijvoorbeeld mijn verhaal over Big data, over Chinese borden of wetenschapscijfers.

Het tweede Science in Transition-symposium

‘Er wordt veel gepraat, en er liggen prachtige rapporten. Maar iedereen klampt zich angstig aan elkaar vast. Wie heeft de positie om iets te veranderen?’ vroeg Wijnand Mijnhardt van Science in Transition (SiT) aan een volle Tinbergenzaal in het Trippenhuis van de KNAW, woensdag 3 december, op het tweede Science in Transtion-symposium. Het bleef stil.

tekst: René Rector, Sciencestories.nl

Het eerste symposium, vorig jaar, was vooral agendasettend. En het openlijk ageren tegen de citatie- index-rat race waarin wetenschapsbeoefenaars elkaar al een paar decennia gevangen houden was toen een spreekwoordelijke steen in de vijver. Deze maal moest het congres een nieuwe fase in de zo vurig gewenste transitie van het wetenschapssysteem markeren.

Impactfactor

Dat deed het congres op een bepaalde manier ook wel. Karl Dittrich, voorzitter van de VSNU, nam de gelegenheid te baat om namens de Nederlandse universiteiten de San Francisco Declaration on Research Assessment te ondertekenen, een verklaring die eigenlijk een pleidooi is voor een andere waardering van wetenschappelijk onderzoek. Niet de impactfactor van een publicatiemedium, of een Hirsch-index voor de impact van een wetenschappelijke carrière, of de Shanghai-index voor de kwaliteit van een universiteit (allen kwantitatieve maatstaven) zouden de meetlat moeten vormen waarlangs wetenschapsbeoefening wordt gelegd, maar de maatschappelijke relevantie of de kwaliteit (bijvoorbeeld gemeten in mate van omvang en innovativiteit). Dittrich haastte zich wel om te zeggen dat die ondertekening vooral een symbolische waarde had.(…)

Het verslag verscheen op de website van Science in transition. Lees het daar helemaal.

Science in trantisition

Big science in Nederland

Wanneer is science Big Science? De commissie van Velzen adviseerde in 2008 toenmalig minister Ronald Plasterk over investeringen in grootschalige onderzoeksfaciliteiten, en het Rathenau Instituut zocht voor de commissie uit wanneer je iets groot kunt noemen.

Ik deed de eindredactie het onderzoeksrapport en schreef een artikel over de belangrijkste bevindingen in de Rathenau nieuwsbrief:

De vergeten grootheid van de Nederlandse wetenschap

Het Rathenau Instituut deed onderzoek naar Big Science: grootschalige, peperdure en technologisch hoogstaande onderzoeksfaciliteiten. Wat blijkt? De Nederlandse Big Science is ‘bigger’ dan gedacht.

tekst: René Rector, Sciencestories.nl

De nieuwe deeltjesversneller
bij CERN in Genève heeft een diameter van zevenentwintig kilometer en kostte zes miljard euro. Niet echt een bedrag dat een universiteit of onderzoeksinstelling in de achterzak heeft zitten. In
het CERN­project participeren daarom 580 wetenschappelijke instellingen uit twintig landen. Omdat alles er groot aan is, wordt dit soort wetenschap Big Science genoemd.

Nederland speelt graag een rol
in de Europese Big Science. De commissie­Van Velzen (zie kader) wilde daarom weten in welke faciliteiten Nederland het best zou kunnen participeren. Rathenau Instituut­onderzoekers Edwin Horlings en Anouschka Versleijen inventariseerden wat Nederland al aan Big Science in huis heeft. Edwin Horlings: “Gek genoeg was dit nooit eerder onderzocht. En dat uitzoeken lijkt gemakkelijker dan het was. Want behalve een overzicht ontbrak het namelijk ook aan criteria. Wanneer is iets groot? In de fundamentele deeltjesfysica is vijftien miljoen euro niet veel geld. Maar in de sociale wetenschappen is het een vermogen. En wie een groot laboratorium als maatstaf neemt, komt ook bedrogen uit: de gegevens van in Europees verband opgezet sociaal wetenschappelijk enquêteonderzoek staan vooral op internet.”

Horlings en Versleijen vergeleken de criteria voor grootschaligheid van de European Strategy Forum on Research Infrastructures met die van de Amerikaanse National Science Foundation. Daarna lichtten ze de Nederlandse onderzoeksfaciliteiten door en vergeleken
die resultaten met die van grootschalige faciliteiten in het buitenland. Ook legden ze hun bevindingen voor aan de wetenschappers zelf. Het resultaat is een betrouwbare lijst van 66 Nederlandse Big Science­faciliteiten. Gezamenlijk zijn ze 3,5 miljard euro waard.

Onverwacht sterk

Anouschka Versleijen: “Nederland scoort goed op fundamentele deeltjesfysica en astronomie. Dat hadden we ook verwacht: het zijn vakgebieden waarin Nederland van oudsher sterk is. Maar er waren meer sterke velden, en vaak onverwachte. Zo doet de medische sector, met bijvoorbeeld MRI­scanners of DNA­onderzoek, het goed. Deze onderzoeksfaciliteiten zijn vaak niet als compleet laboratorium neergezet, maar in de loop der jaren wel zodanig gegroeid dat ze nu absoluut het stempel ‘Big Science’ verdienen. Ze zijn in de Europese inventarisaties aan ieders aandacht ontsnapt.”

Nederland blijkt verrassend goed in ‘virtuele’ of ‘niet­zichtbare faciliteiten’. Dat zijn faciliteiten die niet op één plek staan, maar die verspreid zijn door het hele land en waarbij de gegevens worden uitgewisseld via computernetwerken. De virtuele faciliteit bestaat niet uit het computernetwerk, maar uit de dataset met gegevens. Horlings: “Denk bijvoorbeeld aan ziekenhuisarchieven met biologisch materiaal. Of aan de databanken van bloedbank Sanquin en de Koninklijke Bibliotheek. Het archief van één lab of ziekenhuis is vaak te klein voor wetenschappelijk onderzoek. Maar als je archieven aan elkaar koppelt, kun je dat materiaal goed vergelijken.”

Uniek

Juist in dat koppelen blijkt Neder­ land uniek te zijn. Hoewel ze het niet uitgebreid onderzochten, denken de onderzoekers daar wel een verklaring voor te hebben. Versleijen: ”Nederland is een klein land. Dus is het relatief eenvoudig om een systeem met een landelijke dekking te bouwen. Bovendien past het ook in het polderdenken om administratiesystemen op elkaar af te stemmen.”

Volgens Versleijen worden ‘virtuele faciliteiten’ te vaak over het hoofd gezien: “Bij Big Science denk je al snel aan een groot gebouw op een locatie. En de traditionele criteria voor grootschaligheid houden ook geen rekening met virtuele grootheid, want internettechnologie is nog jong. Maar gedistribueerde en virtuele onderzoeksfaciliteiten zijn de laatste jaren in aantal en omvang veel sterker gegroeid dan traditionele Big Science labs. Horlings: “Je ziet die verschuiving in alle wetenschappen. Als we echt vooraan willen meelopen, is dit type faciliteiten in steeds meer gebieden onmisbaar.”

Voor meer informatie kunt contact opnemen met Edwin Horlings, 070­3421516

 Rathenau-Groot-in-2008-TNDe commissie-Van Velzen en Big Science

De commissie­Van Velzen adviseert minister Ronald Plasterk (OCW) over de belangrijkste richtingen voor investeringen in grootschalige onderzoeksfaciliteiten in de komende vijf tot tien jaar.

redactie: René Rector

Grootschalige faciliteiten maken grensverleggend onderzoek mogelijk. Voorbeelden zijn radiotelescopen, onderzoeksschepen, de CERN­deeltjesversneller, maar ook biologische collecties of medische biobanken. Een Nederlands voorbeeld is de 7­Tesla MRI­scanner, onderdeel van een consortium voor klinisch en cognitief hersenonderzoek van het LUMC, UMC Utrecht en het FC Donderscentrum in Nijmegen.

Het rapport ‘Groot in 2008: Momentopname van grootschalige onderzoeksfaciliteiten in de Nederlandse wetenschap’ vindt u op www.rathenau.nl. U kunt het opvragen via info@rathenau.nl

Rathenau Instituut