Categoriearchief: Beleid

Totale Investeringen in Wetenschap en Innovatie – TWIN 2014-2020

De overheidssteun voor research & development (R&D) en innovatie houdt geen gelijke tred met de ontwikkeling van de aantrekkende economie. Uitgedrukt als percentage van het bruto binnenlands product (BBP), dalen de uitgaven de komende jaren. Dat blijkt uit het TWIN 2014-2020 rapport van het Rathenau Instituut.

redactie René Rector, Sciencestories.nl

Tot en met 2020 geeft de overheid ongeveer 6 miljard euro per jaar uit aan onderzoek en innovatie tegenover 6,2 miljard euro in 2016. De cijfers laten zien dat de middelen voor het meer fundamentele onderzoek globaal gelijk blijven, maar dat de middelen voor het meer toegepaste onderzoek en de overige uitgaven van de departementen dalen.

Als we de overheidssteun afzetten tegen de ontwikkeling van de economie, weergegeven in het bruto binnenlands product (BBP), dan laten zowel de totale overheidssteun als de overheidsuitgaven voor R&D een daling zien. In de periode 2016-2020 daalt de totale overheidssteun van 0,89 procent van het BBP naar 0,79 procent van het BBP. Voor de directe R&D-uitgaven is dat van 0,70 naar 0,62 procent. De overheidssteun voor R&D en innovatie houdt dus geen gelijke tred met de ontwikkeling van de economie.

Uitgaven EU voor R&D en innovatie nemen toe

Naast de financiering vanuit de rijksoverheid, zijn er in Nederland nog andere publieke financiële middelen voor R&D en innovatie: middelen vanuit de Europese Unie (EU) en regionale middelen, deels ook afkomstig uit EU-fondsen. Gegevens laten het volgende zien:

De financiële middelen vanuit de EU-Kaderprogramma’s zijn de afgelopen jaren toegenomen. Naar verwachting blijft dat de komende jaren ook zo. In totaal bedragen deze inkomsten naar schatting € 700 à 800 miljoen per jaar. De eerste resultaten van Horizon 2020 ondersteunen dit.

De middelen op regionaal niveau, vooral EU-middelen en provinciale middelen met een brede invalshoek van kennis en innovatie, bedroegen in 2014 ongeveer € 250 miljoen. In de periode 2015-2018 zullen deze middelen naar verwachting gelijk blijven.

Over de TWIN-cijfers

Jaarlijks bundelt het Rathenau Instituut de gerealiseerde en de voorgenomen uitgaven voor onderzoek en innovatie van de verschillende ministeries in de TWIN-cijfers: deTotale investeringen in Wetenschap en INnovatie 2014-2020. De cijfers in TWIN 2014-2020 zijn gebaseerd op de departementale begrotingen 2016. Het instituut stelt de cijfers samen op verzoek van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en het Ministerie van Economische Zaken opdat politiek en beleidsmakers over actuele cijfers beschikken.

Van dit rapport verzorgde ik de eindcorrectie. Download het rapport via de website van het:

Rathenau Instituut

Chinese borden – geldstromen in de wetenschap

Van het Rathenau Institituut verscheen het rapport ‘Chinese borden’ over geldstromen binnen de wetenschap. Van het rapport verzorgde ik de redactie.

redactie René Rector, Sciencestories.nl

‘Chinese borden – Financiële stromen en prioriteringsbeleid in het Nederlandse universitaire onderzoek’, samengesteld door Elizabeth Koier, Barend van der Meulen, Edwin Horlings en Rosalie Belder, brengt in kaart hoe universitair onderzoek gefinancierd wordt. Traditioneel wordt er in de wetenschappelijke wereld onderscheid gemaakt tussen directe financiering door OCW (eerste geldstroom), geoormerkte financiering, hoofdzakelijk via NWO verdeeld op basis van ingediende onderzoeksvoorstellen (tweede geldstroom), en financiering vanuit bedrijven (derde geldstroom). In dit rapport laten de onderzoekers zien dat die geldstromen eigenlijk allemaal vervuild zijn. Zo wordt het collegegeld dat studenten betalen tot de eerste geldstroom gerekend, maar sinds het opheffen van de studiefinanciering als gift is dat geld eigenlijk privaat geld.

De onderzoekers kom met een andere indeling, die de geldstromen beter inzichtelijk maakt: de geldstromen verdelen ze zowel onder in direct of competitief, en publiek of privaat, wordt duidelijk dat de directe publieke financiering (lumpsum geld dat rechtstreeks van OCW naar de universiteiten) absoluut gezien nog altijd het grootste aandeel inkomsten op de universitaire winst- en verliesrekening vormt, maar dat deze geldbuidel wel behoorlijk wordt leeggeschud omdat competitieve onderzoeksfinanciering vanuit NWO en de ERC in toenemende mate verstrekt wordt onder de voorwaarde dat universiteiten zelf ook geld bijleggen bij dat onderzoek (matching genoemd).

Het gevolg is dat het overgrote deel van het universitaire budget officieel vrij te besteden is, maar dat de perceptie van wetenschappers dat dit niet het geval is óók terecht is. Een aanzienlijk deel van dit vrij te besteden geld is indirect via matching toch geoormerkt. Het rapport haakt met deze analyse in op geluiden die al langer te horen zijn in de wetenschappelijke wereld: namelijk dat de overheid met ‘perverse prikkels’ te veel zou willen sturen.

Geldstromen en ‘perverse prikkels’

Barend van der Meulen legde de verantwoordelijkheid voor het verkeerd prikkelen – en daarmee ook de mogelijkheid om het systeem te veranderen – op het derde Science in Transition-symposium vooral bij de universiteiten zelf. “De overheid prikkelt nauwelijks,” aldus Van der Meulen. “Zelfs niet de zo vaak besproken ‘promotiebonus’ is geen bonus. Het is geen extra geld. Het aantal promoties is een van de parameters op basis waarvan een vaste som geld verdeeld wordt.”

De ‘promotiebonus’ onderstreept hoezeer de problemen die unversiteiten hebben met de grootte en richting van de geldstromen in de wetenschap, alleen maar op de werkvloer kan worden opgelost. Als álle universiteiten het aantal promovendi zou halveren, zouden ze allemaal nog precies evenveel ‘promotie’-geld krijgen en zouden hoogleraren weer tijd over hebben om een deel van het onderzoek zelf uit te voeren.

Chinese borden is te lezen als download op de website van:

Rathenau Instituut

 

Big science in Nederland

Wanneer is science Big Science? De commissie van Velzen adviseerde in 2008 toenmalig minister Ronald Plasterk over investeringen in grootschalige onderzoeksfaciliteiten, en het Rathenau Instituut zocht voor de commissie uit wanneer je iets groot kunt noemen.

Ik deed de eindredactie het onderzoeksrapport en schreef een artikel over de belangrijkste bevindingen in de Rathenau nieuwsbrief:

De vergeten grootheid van de Nederlandse wetenschap

Het Rathenau Instituut deed onderzoek naar Big Science: grootschalige, peperdure en technologisch hoogstaande onderzoeksfaciliteiten. Wat blijkt? De Nederlandse Big Science is ‘bigger’ dan gedacht.

tekst: René Rector, Sciencestories.nl

De nieuwe deeltjesversneller
bij CERN in Genève heeft een diameter van zevenentwintig kilometer en kostte zes miljard euro. Niet echt een bedrag dat een universiteit of onderzoeksinstelling in de achterzak heeft zitten. In
het CERN­project participeren daarom 580 wetenschappelijke instellingen uit twintig landen. Omdat alles er groot aan is, wordt dit soort wetenschap Big Science genoemd.

Nederland speelt graag een rol
in de Europese Big Science. De commissie­Van Velzen (zie kader) wilde daarom weten in welke faciliteiten Nederland het best zou kunnen participeren. Rathenau Instituut­onderzoekers Edwin Horlings en Anouschka Versleijen inventariseerden wat Nederland al aan Big Science in huis heeft. Edwin Horlings: “Gek genoeg was dit nooit eerder onderzocht. En dat uitzoeken lijkt gemakkelijker dan het was. Want behalve een overzicht ontbrak het namelijk ook aan criteria. Wanneer is iets groot? In de fundamentele deeltjesfysica is vijftien miljoen euro niet veel geld. Maar in de sociale wetenschappen is het een vermogen. En wie een groot laboratorium als maatstaf neemt, komt ook bedrogen uit: de gegevens van in Europees verband opgezet sociaal wetenschappelijk enquêteonderzoek staan vooral op internet.”

Horlings en Versleijen vergeleken de criteria voor grootschaligheid van de European Strategy Forum on Research Infrastructures met die van de Amerikaanse National Science Foundation. Daarna lichtten ze de Nederlandse onderzoeksfaciliteiten door en vergeleken
die resultaten met die van grootschalige faciliteiten in het buitenland. Ook legden ze hun bevindingen voor aan de wetenschappers zelf. Het resultaat is een betrouwbare lijst van 66 Nederlandse Big Science­faciliteiten. Gezamenlijk zijn ze 3,5 miljard euro waard.

Onverwacht sterk

Anouschka Versleijen: “Nederland scoort goed op fundamentele deeltjesfysica en astronomie. Dat hadden we ook verwacht: het zijn vakgebieden waarin Nederland van oudsher sterk is. Maar er waren meer sterke velden, en vaak onverwachte. Zo doet de medische sector, met bijvoorbeeld MRI­scanners of DNA­onderzoek, het goed. Deze onderzoeksfaciliteiten zijn vaak niet als compleet laboratorium neergezet, maar in de loop der jaren wel zodanig gegroeid dat ze nu absoluut het stempel ‘Big Science’ verdienen. Ze zijn in de Europese inventarisaties aan ieders aandacht ontsnapt.”

Nederland blijkt verrassend goed in ‘virtuele’ of ‘niet­zichtbare faciliteiten’. Dat zijn faciliteiten die niet op één plek staan, maar die verspreid zijn door het hele land en waarbij de gegevens worden uitgewisseld via computernetwerken. De virtuele faciliteit bestaat niet uit het computernetwerk, maar uit de dataset met gegevens. Horlings: “Denk bijvoorbeeld aan ziekenhuisarchieven met biologisch materiaal. Of aan de databanken van bloedbank Sanquin en de Koninklijke Bibliotheek. Het archief van één lab of ziekenhuis is vaak te klein voor wetenschappelijk onderzoek. Maar als je archieven aan elkaar koppelt, kun je dat materiaal goed vergelijken.”

Uniek

Juist in dat koppelen blijkt Neder­ land uniek te zijn. Hoewel ze het niet uitgebreid onderzochten, denken de onderzoekers daar wel een verklaring voor te hebben. Versleijen: ”Nederland is een klein land. Dus is het relatief eenvoudig om een systeem met een landelijke dekking te bouwen. Bovendien past het ook in het polderdenken om administratiesystemen op elkaar af te stemmen.”

Volgens Versleijen worden ‘virtuele faciliteiten’ te vaak over het hoofd gezien: “Bij Big Science denk je al snel aan een groot gebouw op een locatie. En de traditionele criteria voor grootschaligheid houden ook geen rekening met virtuele grootheid, want internettechnologie is nog jong. Maar gedistribueerde en virtuele onderzoeksfaciliteiten zijn de laatste jaren in aantal en omvang veel sterker gegroeid dan traditionele Big Science labs. Horlings: “Je ziet die verschuiving in alle wetenschappen. Als we echt vooraan willen meelopen, is dit type faciliteiten in steeds meer gebieden onmisbaar.”

Voor meer informatie kunt contact opnemen met Edwin Horlings, 070­3421516

 Rathenau-Groot-in-2008-TNDe commissie-Van Velzen en Big Science

De commissie­Van Velzen adviseert minister Ronald Plasterk (OCW) over de belangrijkste richtingen voor investeringen in grootschalige onderzoeksfaciliteiten in de komende vijf tot tien jaar.

redactie: René Rector

Grootschalige faciliteiten maken grensverleggend onderzoek mogelijk. Voorbeelden zijn radiotelescopen, onderzoeksschepen, de CERN­deeltjesversneller, maar ook biologische collecties of medische biobanken. Een Nederlands voorbeeld is de 7­Tesla MRI­scanner, onderdeel van een consortium voor klinisch en cognitief hersenonderzoek van het LUMC, UMC Utrecht en het FC Donderscentrum in Nijmegen.

Het rapport ‘Groot in 2008: Momentopname van grootschalige onderzoeksfaciliteiten in de Nederlandse wetenschap’ vindt u op www.rathenau.nl. U kunt het opvragen via info@rathenau.nl

Rathenau Instituut

Nieuwe energie. Schaarste, klimaat, duurzaamheid

De Wiardi Beckmanstichting had breed onderzoek gedaan naar mogelijke beleidsmaatregelen op het gebied van klimaatverandering. Het onderzoeksrapport heb ik herschreven tot een handzame publicatie, die niet alleen door middel van interviews met partijleider Diederik Samson aangeeft welke koers de PvdA voorstaat, maar die ook een goed overzicht geeft van de wetenschappelijke kennis over klimaatverandering, alternatieve energiebronnen en de (politieke) dilemma’s die op dit gebied significant zijn.

redactie: René Rector, Sciencestories.nl

Ik heb het boek in twee duidelijk onderscheidbare delen opgeknipt: het eerste deel geeft aan hoe wetenschappers aankijken tegen klimaatverandering en welke oplossingsrichtingen er zijn. Het tweede deel geeft aan welke keuzes de Partij van de Arbeid maakt in die oplossingsrichtingen.

Van de achterflap:

Hoe ernstig zijn de belangrijkste energieproblemen (klimaatverandering, schaarste aan fossiele brandstoffen) eigenlijk? Hoe degelijk zijn de oplossingen die aangedragen plegen te worden? En hoeveel tijd heeft een samenleving nodig om zich op een andere energie- huishouding in te stellen? In ‘Nieuwe Energie’ geeft René Rector, geïnspireerd door discussies in en rond de werkgroep Sociaal-democratisch energiebeleid van de Wiardi Beckman Stichting, een antwoord op deze vragen.

Nieuwe energie. Schaarste, klimaat, duurzaamheid werd uitgegeven door:

Wiardi Beckman Stichting